Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ik nu, volkomen ontnuchterd, het zegel van he: protocol verbrak, scheen het mij inderdaad, dat ik reden had sceptisch te zijn. Grondfactor was: de mystieke stemming, sterke zenuwoverspanning, een nacht zonder slaap, en wat daarbuiten in het Spreewoud vooraf was gegaan. Eerste gevolg daarvan was reeds de zonderlinge droom, de aanva! van slaapwandelen op het slot geweest. Als inleiding het schrikwekkend verhaal der vrouw bij de Thalers. «Dat moet toch wel de dood zijn.»

Op den terugweg de poging, niet aan Edmonds dood te denken. Juist zulke met geweld teruggedrongen voorstellingen keeren gaarne in den droom terug. In de kamer geen lamp. maar spookachtig kaarslicht. Opnieuw de doodsgedachte. De klare, logische gevolgtrekking, dat de telegrammen door een vreemde hand moeten zijn afgezonden. Een blik op de rapieren en de hypothese van een duel, ontwijfelbaar het resultaat van lang nadenken bij den wakende; eerst veel later, in onbewust verschuiven door 't vele vertellen, had ik dit punt zoo gekeerd, dat het duel ook een geestesopenbaring was geweest.

Verder: beginnende symptonen van inslapen. Het duelvisioen uit mijn vroeger leven: de vriend met de bloedige borst. Beelden des doods. Moeder. Sentimenteele gevoelens, aangroeiende slaapdronkenheid. «In 't oor een suizen.» Poging van het schemerend bewustzijn om tot het begin van den schakel terug te keeren. Eenige gevolg, de voorstelling «Edmond». Voor 't overige nu vaste slaap — en droom. De gestalte in 't witte hemd, met het schot in de linkerborst, de geborduurde «E. T.» droom. Ik droomde, dat dat ik het tweede gezicht had van Edmonds dood!

Uit Thérèse's brief wist ik nu, dat Edmond in werkelijkheid dien dag een Jagerhemd gedragen had, en dat de wond in 't onderlijf zat...

Ook de volgende gebeurtenissen uit een echt droomleven. De gedachte: — Je droomt immers. Zelfs 't geloof, dat ik was ontwaakt, was een droom. Het duidelijke visioen van mijn kamer. Ik had de mooiste analogie in 't nachtelijk avonduur na Frey's dood. Wat mij vroeger een bewijs voor waken was geweest, werd mij nu tot bewijs voor het droomen. Ik stelde mij mijn Berlijnsche kamer voor. De boekenrijen, die ik rechts en links van de gestalte had meenen te zien, moesten zóó in de schaduw gelegen hebben, dat ik met open oogen de opschriften in 't geheel niet had kunnen lezen. In den droom had ik het

Sluiten