Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aantal dieren met fijne reukorganen voor dom, omdat zij slechte oogen hebben. In de tijdschriften miste ik de plaatsruimte en de gelegenheid, dat beginsel uitvoerig te motiveeren, en evenzoo miste ik bijna steeds de gelegenheid, de meeningen der tegenstanders te weerleggen. Ik heb hier het verzuimde ingehaald.

Indien het blijken mocht, dat de in dit werk gegeven verklaringen, waardoor schijnbaar dwaze handelingen van dieren dit, van hun standpunt beschouwd, volstrekt niet zijn, bij de lezers ingang vinden, dan is de oplossing mij langs den volgenden weg gelukt. Een aantal hooger georganiseerde dieren ontwikkelen, zooals algemeen wordt erkend, onder bepaalde omstandigheden eene hooge mate van verstand. Het kwam mij nu onbegrijpelijk voor, dat ditzelfde dier dwaasheden begaat, als het b.v. als roofdier bang is voor vuur, als wild bang is voor lappen. Want ik was er van doordrongen, dat wij menschen met ons beperkt verstand en de hoogst eenzijdige organisatie onzer zintuigen volstrekt niet gerechtigd zijn, voorbarig een oordeel te vellen over de geestelijke eigenschappen van andere schepselen.

Hoe meer ik mij met deze zaak bezig hield, des te helderder werd het mij, dat wij de handelingen van een dier nooit zullen verstaan, als wij niet weten, hoe het heeft geleefd, en vooral als wij er geen rekening mede houden, dat zijn zintuigen in menig opzicht anders georganiseerd zijn dan de onze. Wanneer men zich echter weet te verplaatsen in zijne oude gewoonten (Hoofdstuk I) en eveneens in de afwijkende organisatie zijner zintuigen (Hoofdstuk II en III), dan staat men versteld over de eenvoudige verklaringen van schijnbaar merkwaardige of onverstandige daden der dieren.

Dat men niet reeds lang die oplossing heeft gevonden, moet worden toegeschreven aan een aantal omstandigheden, waarvan wij hier enkele zullen ter sprake brengen. In de eerste plaats houdt zich de dierkunde als wetenschap, waarvan niemand met

x *

Sluiten