Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderdrukken. Zou ook iemand, die op ondoordachte wijze in de nabijheid kwam van het raderwerk eener machine, niet voor zóó lichtzinnig gehouden worden, dat het de grenzen van misdadigheid overschreed ? Men kan een paard, een hond, door ze aan te roepen tot krachtiger werkzaamheid aansporen, men kan ze door slagen straffen; doch deed men iets dergelijks bij eene machine, dan zou men zich voor zijn geheele leven even belachelijk maken als Xerxes, die de zee zweepslagen toediende, omdat deze zijn brug had vernield.

De vergelijking tusschen dier en machine is dus volkomen onjuist. Omgekeerd mag men echter het dier geen eigenschappen, of ook gevoelens en meeningen, toeschrijven, die alleen bij ons menschen, vooral cultuurmenschen gevonden worden. Wilhelm Wundt geeft als voorbeeld hiervan het volgende: Een Engelsch geestelijke vertelt naar aanleiding der zoogenaamde ,begrafenisplechtigheden" der mieren : „Ik bemerkte eens bij eene kolonie een onderaardsch kerkhof, waarop mieren bezig waren hun dooden te begraven, door ze met stof te bedekken. Eén van deze, door eene heftige gemoedsbeweging overweldigd, wilde de lijken weder uitgraven, doch werd daarin door de doodgravers verhinderd". „Wat is hier feit, wat is er bij gefantaseerd ?" vraagt Wundt. „Zeker is het, dat de mieren lijken, evenals andere voorwerpen, die hen hinderen, uit hun nest wegdragen naar de omgeving en die toedekken, ten einde zich ongestoord daarover te kunnen bewegen. Bij die bezigheid zijn zij blijkbaar in het waargenomen geval door eene andere mier gestoord, en hebben zij zich tegen deze verzet. Het kerkhof, de doodgravers, ten slotte de ontroostbare gevoelens der vriendin, die de overledenen zoo gaarne weder aan het graf zou hebben willen onttrekken dat alles heeft de sentimenteele waarnemer er bij gefantaseerd".

Zelfs een man, die zoo ontzaglijk hoog staat en zóózeer de vereering der natuuronderzoekers verdient, als Brehm, is naar

Sluiten