Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemzen schijnbaar in de grootste zorgeloosheid op mij los renden en mij op betrekkelijk zeer korten afstand voorbijliepen. Evenals de meeste lagere gewervelde dieren, en in de eerste plaats de visschen, schijnen zij den mensch, vooral als deze zich rustig houdt, niet als zoodanig te herkennen, en eerst dan schijnen zij daarin een voorwerp van vrees te zien, als hij zich beweegt."

Om den weiwillenden lezer niet te zeer te vermoeien, zullen wij hiermede een einde maken aan het opsommen der voorbeelden.

Het volgende staat dus onwederlegbaar vast. Wij weten van ons menschen, dat wij lang niet zoo goed kunnen ruiken als sommige dieren. Omgekeerd weten wij, dat sommige dieren zoo goed kunnen zien als wij.

Het is nu niet aan te nemen, dat de natuur enkel uit een luim hare gaven zoo verschillend verdeelt. Integendeel, veeleer dringt zich met kracht de opvatting aan ons op, dat er eene wisselwerking bestaat tusschen het te veel en te weinig.

Inderdaad zien wij ook, dat van alle dieren, waarvan het slechte zien uitdrukkelijk vermeld wordt, tevens wordt medegedeeld, dat hun reukzin voortreffelijk ontwikkeld is, en dat dus inderdaad het grondbeginsel bestaat, dat door mij is opgesteld.

Als er nog eenige twijfel mocht bestaan, dan wordt deze volkomen opgeheven, als men van den hazewindhond, die eene geheel op zichzelf staande plaats inneemt, het volgende leest:

„De hazewindhond hoort en ziet voortreffelijk, hij heeft daarentegen slechts een zwakken reukzin, daar de neusvleugels zich in den spitsen snuit niet voldoende kunnen uitbreiden en dus de ontwikkeling van de zenuwen van den neus nooit eene voldoende hoogte kan bereiken, zooals dit bij andere honden het geval is."

3) Brehm. Deel I, blz. 592.

Sluiten