Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ware dit argument van Brehm juist, dan zou de hazewindhond evenals de vroeger vermelde mol een stiefkind der natuur zijn, daar hij in tegenstelling met de andere hondenrassen niet hun fijnen neus gekregen heeft. Dit is echter volstrekt niet het geval. De natuur geeft de levende wezens niet meer mede dan zij voor hun behoud noodig hebben. Als dus de hazewindhond voortreffelijke oogen heeft gekregen, dan behoeft hij niet tevens een goeden neus te hebben.

En waarom wordt de hazewindhond zoo geheel anders behandeld dan de overige honden ?

Het antwoord ligt voor de hand. Wolven en wilde honden speuren een dier, jagen het op en vermoeien het doorrennen, dus door volharding. De hazewindhond haalt een dier in en krijgt het dus door snelheid te pakken. Om een dier te kunnen inhalen, moet ik het eerst zien.

Merkwaardig is het, dat aan die verscheidenheid in verdeeling der zintuigen zoo weinig aandacht is geschonken — hoewel de menschen wel zóóveel hebben opgemerkt, dat zij scherpe oogen wel als lynxoogen en valkenoogen hebben gekenschetst, maar nooit als paarden-, honden-, wolven-, vossen-, herten-, reeën- of gemzenoogen.

Daaruit kan nu reeds zonder nadere beschouwing het volgende worden afgeleid: Daar de los zeer goed ziet, heeft hij in ieder geval geen fijnen neus.

Dat apen niet kunnen speuren, hoewel dit dikwijls wordt be weerd, daarvan heb ik mij door tallooze proefnemingen overtuigd. Een overtuigend voorbeeld zal ik later ter sprake brengen.

Dat zij daarentegen zeer goed kunnen zien, kan niet geloochend worden, en is dan ook nooit bestreden. Herhaaldelijk wordt van hen getuigd: „Niets ontgaat hun scherp oog." Ook bij Brehm l) vindt men :

1) Brehm, derde druk. Deel I, blz. 48.

Sluiten