Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onjuiste meening zijn toegedaan, dat hun jachthond goed zien kan, heeft tot grond, dat zij zich er geen denkbeeld van kunnen vormen, dat voorwerpen in beweging gemakkelijk herkend kunnen worden.

Zij redeneeren namelijk aldus: Ik schoot een hoen, dat op een afstand van ongeveer 200 pas op den grond viel. Mijn jachthond liep naar die plaatsen en apporteerde het. Daar hij het hoen dus op dien afstand heeft waargenomen, moet hij goed kunnen zien.

Is die redeneering juist? Volstrekt niet, zelfs een bijziende kan ditzelfde met gemak volbrengen. Een tamelijk groot voorwerp, dat zich beweegt, wordt op dien afstand steeds waargenomen. Wel is waar ziet noch de hond, noch de bijziende nauwkeurig, wat dat voorwerp eigenlijk is. Als dus bijvoorbeeld uit een luchtballon, die zich toevallig boven een jachtterrein beweegt, een bal papier op den grond viel, dan zou de jachthond waarschijnlijk even goed daarheen loopen, als wanneer een hoen was geschoten.

Ook mag men niet uit het oog verliezen, dat vluchtende plantenetende dieren met zooveel te meer argwaan op iedere beweging letten, daar planten en boomen zich niet van hunne plaats bewegen, en het dus in dat geval des te waarschijnlijker is, dat zij met een vijand te doen hebben.

Veel moeilijker is het echter, kleinere voorwerpen, die zich bewegen, te herkennen. Men kan ten allen tijde de proef nemen met een hond. Als men slechts schijnbaar een steentje weggooit, maar het inderdaad in de hand houdt, dan loopt de hond toch in de richting, waarin hij meent, dat het steentje geworpen is. Dit is toch een onfeilbaar bewijs, dat hij met de oogen niets heeft kunnen herkennen.

20. Schreeuwende kleuren. Een tweede voorbeeld van onjuiste opvatting is, dat men zich niet voorstelt, hoe goed schreeuwende kleuren op betrekkelijk grooten afstand kunnen worden herkend.

Sluiten