Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reukorgaan niet kunnen tot stand brengen. Tot de laatste behooren volgens Brehm, Hom en anderen behalve de vogels ook de katten. Hoe kunnen er nu nog schepselen bestaan, bij wie een zoo belangrijk zintuig ontbreekt? Zouden niet alle katachtige roofdieren in den strijd om het bestaan reeds lang van honger zijn omgekomen, omdat alle roofdieren met een sterk ontwikkeld reukorgaan hun te voren allen buit hadden weggeroofd ? Ligt nu mijne verklaring niet voor de hand: dit geschiedde daarom niet, omdat de dieren met een scherp reukvermogen zwakke oogen hebben !

De beschikbare plaatsruimte verbiedt mij helaas, nog verdere bedenkingen te weerleggen, doch alleen het volgende wensch ik nog op te merken.

Tot mijn groote spijt staat ook de bekende dierkundige G. Jager op een ander standpunt dan ik. Hij is van meening, dat alle dieren kunnen speuren, en dat wij menschen dat vermogen hebben verloren, omdat wij het hebben veronachtzaamd en niet zijn blijven oefenen. Later zal ik trachten aan te toonen, waarom ik mij met die opvatting niet kan vereenigen.

Overigens ben ik juist dien tegenstander grooten dank verschuldigd, omdat hij één der weinige geleerden is, die zich eene voorstelling hebben gemaakt van de ontzaglijke beteekenis van den reukzin, en bovendien daarop met bijzonderen nadruk gewezen hebben.

Freiherr von VVechmar is van meening, dat paarden goed kunnen zien ; ik heb daarop reeds geantwoord l). Bij dat debat bleek het verschil in meening alleen een quaestie van misverstand te zijn.

De voorzitter van het genootschap voor herdershonden, de ritmeester von Stephanitz, maakte er mij in een beleefd schrijven op opmerkzaam, dat ook onder die honden voortreffelijke

1) Taglicher Rundschau van 12 April 1903 No. 171.

Sluiten