Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zullen eerst weder een practisch voorbeeld kiezen.

De groote dichter Goethe zingt: „Das Maultier sucht im Nebel seinen Weg" l).

Dat het dier den weg zoekt, is natuurlijk niet zeer te verwonderen, wel het feit, dat het dien weg vindt. Waarom is dit voor ons menschen zoo te verwonderen ?

i°. Daar wij schepselen zijn, wier hoofdorganen de oogen zijn, en wij in den nevel niet kunnen zien.

2°. Daar wij, cultuurmenschen, den plaatszin niet hebben, dien de dieren nog wel bezitten (zie blz. ioo).

De muilezel nu is evenals paard en ezel een dier, welks hoofdorgaan de neus is en dat natuurlijk in zijne zintuigen niet noemenswaard den invloed van den nevel ondervindt. Het zien speelt bij hem geen overwegende rol, en zijn neus, zijn voornaamste orgaan, schijnt in den nevel nog beter zijne functies te vervullen dan in een droge atmosfeer. Bij vochtig weer schijnt alles veel sterker uit te wasemen.

Wat Goethe dus als iets zeer merkwaardigs mededeelt, is in werkelijkheid geheel in overeenstemming met de natuur. De zaak komt ons alleen daarom merkwaardig voor, omdat wij menschen gewoon zijn alles steeds te beschouwen van ons bekrompen gezichtspunt.

Ieder natuurverschijnsel ontleent zijne beteekenis aan het feit, of een dier den neus of de oogen als hoofdorgaan heeft.

Van één natuurverschijnsel is in ieder geval de beteekenis te onderscheiden. Even gewichtig als de wind is voor dieren, wier hoofdorgaan de neus is, even onverschillig is de wind voor de dieren wier hoofdorgaan de oogen zijn. Gunstige wind heeft voor het paard dezelfde beteekenis als voor ons het licht.

1) De muilezel zoekt in den nevel zijn weg. (Zie hierover „Land und Meer" 1902, No. 30).

Sluiten