Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel gemakkelijker den weg dan oogdieren. Ondoorschijnende, poreuze voorwerpen, zooals kleeren, aarde enz. zijn voor oogdieren absolute beletselen, doch in het minst niet voor neusdieren. Evenzoo zal een dicht oerwoud wel een oogenblik het vrije uitzicht belemmeren, maar het zal een neusdier volstrekt niet bij het ruiken in den weg staan.

Daarentegen zijn voor beide soorten van dieren hoogten, zooals bergtoppen, kruinen van boomen enz. van groote beteekenis, daar zij ons niet alleen een vergezicht toestaan, maar ook de gelegenheid bieden, om op een afstand te ruiken.

Voor oogdieren zijn dus lastig: Duisternis. Nevel. Sneeuwbuien. Stofmassa's. Ondoorzichtige voorwerpen, zooals een dicht begroeid woud.

Onverschillig zijn daarentegen : Tegenwind. Windstilte. Koude. Water. Doorzichtige, niet-poreuze voorwerpen (vensters).

Omgekeerd zijn voor neus dier en lastig: Tegenwind. Windstilte. Koude. Water. Doorzichtige, niet-poreuze voorwerpen (vensters).

Onverschillig daarentegen: Duisternis. Nevel. Sneeuwbuien. Stofmassa's. Ondoorzichtige, poreuze voorwerpen, een dicht begroeid woud.

Hieruit kan b. v. het volgende worden verklaard: Dat honden, paarden enz. in de duisternis bijna even goed den weg vinden als overdag]

dat de muilezel enz. in den nevel zijn weg vindt; dat wolven en beren in den nevel het gevaarlijkst zijn, wat reeds de aandacht der ouden heeft getrokken, terwijl oogdieren, zooals de vischarend, de havik enz. nooit in den nevel op roof uitgaan;

dat de honden op den St. Gothard, zelfs in de dichtste sneeuwbuien, verdwaalde menschen weten te vinden;

dat paarden, zooals de Arabieren in hunne lofzangen op het paard duidelijk doen uitkomen, in de dichtste stofwolken hun

Sluiten