is toegevoegd aan uw favorieten.

Hebben de dieren verstand?

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het lichaam volstrekt niet de oorzaak kan zijn van het verschil in geschiktheid voor de ééne of andere handeling. Ook hier zijn er punten van verschil, die op zichzelf onverklaarbaar zijn. Zoo kan men bijvoorbeeld den regel stellen, dat een vogel des te beter vliegt, naarmate hij zich minder gemakkelijk op den beganen grond beweegt, en omgekeerd. De struisvogel is een uitnemend looper, doch zijn vliegen beteekent niets, zoo ook kunnen de casuaris en sommige andere vogels niet vliegen. Patrijzen en kwartels zijn eveneens flinke loopers, doch daar staat tegenover, dat hun vliegen slechts matig is. Omgekeert levert de zwevende arend een majestueus schouwspel op, doch dit gaat onmiddellijk verloren, zoodra men hem op den beganen grond ziet. Kan men zich een belachelijker schouwspel voorstellen dan een huppelenden arend ? Van de torenzwaluw, die een zóó voortreffelijk vlieger is, dat geen enkele roofvogel haar kan inhalen, beweert men, dat zij zich zonder hulp volstrekt niet van den grond kan opheffen. Dit wordt echter door Brehm bestreden; deze schrijft over dien vogel 1): „De vlucht is zóó bewonderenswaardig, dat men daarbij alle eigenschappen van de torenzwaluw vergeet, die ons onaangenaam zijn, en steeds weer met verrukking dien snelsten vlieger van ons vaderland met het oog volgt. Hij kan eiken stand innemen. Hij vliegt met hetzelfde gemak naar boven als naar beneden, draait en keert zich gemakkelijk, doorvliegt korte bochten met dezelfde zekerheid als bochten met geringe kromming, nu eens dompelt hij zijne vleugelen bijna in het water, dan weer verdwijnt hij enkele seconden later tot op een onmetelijke hoogte. Doch alleen in de lucht voelt hij zich werkelijk thuis, op den grond voelt hij zich echter vreemd. Men kan zich nauwelijks een meer onbeholpen schepsel voorstellen dan de torenzwaluw, als zij verhinderd is te vliegen en zich op den grond moet bewegen. Van loopen is daarbij geen sprake meer; zij kan zelfs 1) Deel IV, blz. 399.