Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet kruipen. Men heeft beweerd, dat zij niet in staat is, zich van den grond op te heffen; dit is echter, zooals mij door eigen waarneming voldoende gebleken is, volstrekt niet het geval. Als men een juist gevangen torenzwaluw op den grond legt, dan breidt zij onmiddellijk hare vederen uit, heft zich door een krachtigen slag dier vederen in de hoogte, en gebruikt daarna onmiddellijk hare vleugels met de gewone zekerheid."

Als reden voor dit verschil kan men niet opgeven, dat men met loopbeenen niet goed kan vliegen, immers de ooievaar en de kraanvlogel zijn toch, om een voorbeeld te noemen, voortreffelijke vliegers, niettegenstaande zij lange beenen hebben.

Verder kan men er ook op wijzen, dat men ook in andere opzichten op verschillen kan wijzen. Sommige vogels kunnen alleen duiken, als zij zich van boven in het water storten, andere daarentegen kunnen voortreffelijk onder water zwemmen. Volkomen onverklaarbaar is het verder, dat de ééne roofvogel geen vliegend wild, een andere geen zittend wild kan vangen, een derde het niet van onderen vangen kan. Als bijvoorbeeld de handige en snel vliegende jachtvalk geen zittenden vogel kan pakken, dan kan dit onmogelijk worden toegeschreven aan den lichaamsbouw van den vogel, immers andere roofvogels volbrengen hun roof onder die omstandigheden met het meeste gemak.

Dit verschil in vermogens bij hunne vijanden is aan de arme slachtoffers zeer goed bekend, en daarnaar richten zij hunne verdediging in.

Daar de jachtvalk uitnemend kan vliegen, is hij natuurlijk op den grond slecht te huis, en verdedigt hij zijn buit niet tegen den kuikendief, wat dikwijls verwondering heeft gebaard. Deze vliegt slechter, maar is beter te huis op den beganen grond.

Al deze verschillen kunnen zeer eenvoudig verklaard worden uit de lex parsimoniae, de wet der spaarzaamheid in de huishouding der natuur, die luidt: Gij krijgt slechts zóóveel, als

Sluiten