Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i) Alle vogels.

а) De apen.

3) De katten, daaronder begrepen de tijgerkatten of jachtluipaards. Uitgezonderd zijn de civetkatten, beter gezegd civetmarters en de genetkatten.

4) Eenige hazewindhonden en herdershonden.

5) De giraffen.

б) De walvisschen, die volgens Brehm 1) geen reukzenuwen hebben.

De Alpensteenbokken schijnen zich van de gemzen, waarmede zij niet paren, in zooverre te onderscheiden, dat zij beter dan deze zien, daarentegen des te slechter kunnen speuren. Brehm wijst er met nadruk op, dat men bij de jacht op die dieren niet nauwkeurig behoeft te letten op de windrichting.

Een der meest bekende wetten der natuur, die wel het minst wordt bestreden, luidt: natura non facit saltus, d.i. de natuur maakt geen sprongen. Overal, waarheen wij onze blikken richten, vinden wij overgangen, b.v. tusschen groote en kleine bergen, stroomen, menschen en dergelijke. Zoo vormen de Alpensteenbok, de hazewindhond, de jachthond, en naar het schijnt ook de kangoeroe, den overgang tusschen oogdieren en neusdieren. Bij de hoorndieren en gebitdieren vormt de mundtschak (cervulus muntjac), die voor een hert een opmerkelijk klein gewei heeft, doch tevens kleine hoektanden heeft, den overgang.

Reeds vroeger heb ik eenige voorbeelden aangehaald, dat apen niet kunnen speuren. Doch de volgende omstandigheid geeft den doorslag. Apen hebben een ontzettenden angst voor slangen. De oorzaak ligt voor de hand: waarschijnlijk hebben zij menigen makker verloren door den giftand van een slang. Zij steken daarom nooit hun arm in een opening, zonder zich door luisteren te hebben overtuigd, dat daar geen slang in is. Beweegt zich niets, dan steken zij den arm iets naar binnen, 1) Deel III, blz. 673.

Sluiten