Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wijn maakt spraakzaam, druk, driest, handtastelijk, razend. Is de zwarte gal koud, dan maakt ze neerslachtig, is ze warm, dan veroorzaakt ze vreugde en geestvervoering. Herinnert men zich, dat volgons A. het verstand ') in 'thart zetelt, dan begrijpt men hetgeen hij laat volgen: „velen geraken, doordat die warmto dicht bij den zetel van den geest is. in razernij en geestvervoering, bijv. de Sibyllen en de Baciden" (d. i. Baxiöes, plur. van Bdxig). Cicero's bron ') heeft A. zeer slordig gelezen. A. zegt uitdrukkelijk, dat er bij Sibyllo en Bacis geen ziekteverschijnsel is, maar oen zekero natuurlijke menging: S&ev ZifivAAai xai B^xtieg xal iv&eoi yivoviai ndvieg, 6iav fi i; voay/i at i yévtovtai, yvoixfi

XQuaei.

Cic. II, 120 ziet op Aristoteles ïrcpl êvvnvlwv C. III. Men herinnere zich, dat A. aannam een alo&r)iixóv als dat deel van de ziel, dat alle zintuigelijke indrukken verwerkt. Nu leert A- in C. I, dat de zintuigen in den droom geen gewaarwordingen krijgen. Do droom is een aandoening van het ala&rjzixóv, voorzoover dit fantazie bezit. In C. II vergelijkt A. zekere verschijnselen in den wakenden toestand: als wo in do zon kijken on onmiddellijk daarna ons in de schaduw begeven, is ons gezicht eerst even afgestompt. Evenzoo stelt eon sterke geur of een schel geluid ons tijdelijk buiten staat iets te ruiken of te hooron. Do sterke gowaarwording gaat over in een herinnering, die al onze aandacht voor een oogenblik in beslag neemt.

In C. III wijst A. er op, dat evenals een stork geluid eon zwakker onhoorbaar maakt on eon klein vordriot door een grootore smart wordt verdrongen, zoo ook alle waarnemingen samen spoedig dat herinneringsbeeld doen verflauwen. Bovendien doet zich, als wo waken, de rede gelden. Doch in den slaap rusten rede on zintuigen. Is het lichaam inwendig in heftige beweging

1) Nauwkeuriger: het alT&ijTt/Qiov xoivóv, d. w. z. dat deel van do ziel, dat de gegevens der zintuigen vergelijkt en geheugen en fantazie bezit.

2) Geen onderzoeker van Cic. philosofische geschriften neemt aan, dat Cic. hier zelf uit Ar. put, m. a. w. dat Cic. zelf deze fout maakt. Niet eens wanneer hij ?egt e<jo ... haud s<«o an ... heeft men dus met een eigen meening van Cicero te doen. De fout is begaan door Posidonius, die ook niet Aristoteles er op nageslaan heeft, doch veeleer een Peripatetisch filosoof, welke over divinatio schreef, zich op Aristoteles beriep en diens meening onvolledig weergaf. Waarschijnlijk heeft Dicaearchus of Cratippus dit excerpt uit Aristoteles aan Posidonius verschaft.

Sluiten