Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De schilder bleef het wezen nazien, dat slingerend voortschoof onder het uitstooten van een kort, schril gekreun. Toen draaide het rond om zich zelve, en begon al kreunend met hoofd en bovenlijf heen en weêr te wippen.

Om het skelet van den kop was de huid heengespannen met de kleuren en rimpels van oud geworden schrompelig leder. Van onder het hooge, uitpuilende voorhoofd staarden de iets of wat aan den buitenhoek opgetrokken oogen dwalend en verstandloos tusschen-uit de onreine oogleden, en onder den in het gelaat gedrukten neus was de scheeve mond met smalle, ingezogen lippen, openstaande als een donker gat, leeg en tandeloos.

De jonge man was opgestaan van zijn stoeltje en liep met korte passen het plat op en neder. De mattenvlechtster soesde nog altijd voort, terwijl de jonge moeder zich bezig hield met de beschouwing van haar kind, dat gretig zoog aan haar borst. Ze hield het hoofd een weinig op zijde met een uitdrukkig van stil tevreden genot. De schaduw van het muurtje was ingekrompen tot een smalle strook, en over haar hoofd begon het eerste zonlicht te glimmeren.

— „Is 't afgeloopen, heertje?" vroeg de meid, die van haar plaats was opgestaan en zich uitrekte.

— „O neen," zei deze, een oogenblik zijn wandeling stakend, „'t is erg warm."

De oude had uit haar zak een stuk brood gehaald en dit aan het gekke kind toegeworpen. Toen waren de drie vrouwen bij elkaar gehurkt een luid ratelend gesprek begonnen, dat van tijd tot tijd uitschoot in uitbarstingen van stuipachtig lachen.

Zonder een oogenblik het wippen van zijn lichaam te staken, had het schepsel het stuk brood voor zich opgenomen en was begonnen daaraan te knauwen. Onder zijn onhandige bewegingen brokkelde het droge oude baksel uiteen en viel naast en voor hem neder tot stukken en kruimels, en van uit den vollen mond kwam nu het altijd doorgezette gekreun als een leegluidig gemurmel.

Sluiten