Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zwarte vaandel was tegen den wand gezet. Vier der roode jongens hadden het kistje tusschen Jch genomen en een der mannen een krans van gemaakte bloemen van een tafeltje bij den ingang, en dien betaald, het geld uit zijn vestjeszak nemend. Toen waren allen een hoek omgedraaid, langs een muur geschoven, gaande langs ondergesneeuwde perken die in hun midden kruizen geprikt hielden, zwarte, van ijzer geslagen kruizen met vergulde punten en stralen.

En eer men recht zag hoe, lag het kleine witte kistje in een even kleine, donkere groeve, en een man met een houweel in de hand was heengestapt over de holte, het overspannend met de beide beenen. Hij gaf een hak in den grond, vervolgens den steel van het werktuig aan den man die den krans betaald had. Het stuk aarde viel op het kistje met een zacht week geluid, onder het geruisch dat de in hun mantels gehulde mannen maakten, die al op en neêr drentelend, op den grond stampten met hun schoenen. Toen zeiden velen van hen tegelijk: „Vaya, vaya!"1) De koorzangers waren al weggegaan, den krans medenemend; en in een oogwenk was het kerkhof ledig, eenzaam in den pronk van zijn vele sierlijke monumentjes met Iatijnsche opschriften, prijkend tusschen denneboompjes, belast en bevlekt met dikke brokken sneeuw. Maar de graver hakte voort, stukken molmige aarde, sneeuw en wortels werpend in het kuiltje. En onder zijn hakken werd de grond zwart rondom hem, zwart als het kleed van den in de hoogte prevelenden priester, en het grafje vol, donker gemerkt in de sneeuw die overal lag, bleek hard, koud en dood.

') Ga meê, ga meê.

Sluiten