Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ding van het volk leeft als een vèr vermoed oord van melk en honig, van hitte en zwarte menschen; van het werkelijke oosten, dat zijn weeke weelde brengt met zijn dadels en rijpe vijgen; uit dat oosten dat de menschen tusschen de nevelen bezoekt met zijn droomerijen en dat hun, godgewijd, zijn bedwelming zendt uit de bladen van hun Heilige Schriften; uit dat wereldstuk door droomers bedroomd; uit het oosten waar het licht begint; uit het oosten, dat is uit alles wat ver af is en daarom schoon, als alles wat onbereikbaar is en daarom doet sterven van verlangen.

Zacht snorde de kater, als een die een bidsnoer afprevelt, en de rook kringelde warm op.

En ook in zijn leven was dat oosten getreden als een schoone bezoeking; 't was nog niet zoo lang geleden dat hij een grond beloopen had, waar de mensch om zijn god te vreezen met verdwaasde oogen bidt naar de dalende zon. 't Was aan het einde geweest van een lange reis, als een steelsche blik in een schoon maar verboden oord, dat hem die het gezien heeft des daags vervolgen blijft met zijn gezichten, en zijn nachten onrustig met droomen bezoekt. Nu was hij er weêr, nu zag hij weêr dat lange zandige strand waar hij aangeland was, met zijn heuvelrijen van esmerald en rood purper om de baai der zee. Hij hoorde "het schuimende klotsen weêr, het breken en tuimelen der waterbanen in den avondvloed, het lange deinen der opschuivende golven, meeuwwit bekuifd, met sappig smaragd in de diepten, vol donkere blauw-waterkleuren in de omkrommende valling. En hij zag de wandelende Arabieren weêr in hun blanke tunieken, met de mantelkap in den bruinen nek, of warmtegevend over de geschoren kruin getrokken.

Daar gingen ze, de deftige zwartbaardige Oosterlingen die zonder gebaren spreken, koelte zoeken in de avondbries. Hij hoorde ze gaan, het kleppen van hun baboesjes, van de roode en gele muiltjes met neêrgetrapt hiel-

Sluiten