Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoel van verlatenzijn, een doove loomheid begon te zakken van zijn hoofd in zijn beenen. Doodmoê werd hij, maar willoos bleef hij doorslenteren, voortgestuwd door den machinalen drang van zijn in beweging gezet lichaam; met looden voeten liep hij de straten uit, de lantarenreeksen langs en langs de stomme gevels; recht weg vloden de rijen kijk- en luchtgaten. Soms ging hij voorbij oude, dorpachtige huisjes, ze kropen laag en benauwd weg in de schaduwvlagen der groote steenen blokken. De stad had ze verdrongen, doodgekneld, verstikt. En dan weêr zag hij een onttakelden molen staan, een duisterstompen kegelromp, met een geharrewar van planken en houten als oorlogstuig in de laagte, met den verganen kapsteller in de hoogte; log en wiekenloos wankelde hij op het leêge erf, maar daar scheen hij koppig in den grond gegroeid, en stond weerbarstig met het stompe voorhoofd, donker en verwoed tegen de gladde steenen gevels der vooruitdringende stad, die hem den toestroom van wind in de hoogte afsneed en zóo gevangen hield. Nu lag het molenaarshuis verzonken, weggezakt in het zand.

Al moeier werd hij, de wandelaar, en al vager voelde hij de dingen komen tot zijn bewustzijn. Ja, ja, het feest was uit; daar ginder glom nog maar een enkel vetpotje aan een arme'ui's-verlichting. Hij hoorde de geluiden in de lucht vergaan, hij hoorde niets meer dan het gesoes in zich zeiven, het zeuren en neuriën van den deun: „we

gaan niet dood."

Hij was bij een water, waar de nieuwe stad spoelen komt in de oude, en daar, als door een nooddruft gedwongen, schudde hij de loomheid van zich af, hij wilde terug naar binnen, hij moest er bij zijn, bij het doodbloeden der pret, hij zou de laatste lichtjes zien sterven, en dan het ronken hooren van de zatte stad.

Dus ging hij weêr op weg, om de zieltogende pret te zoeken. Ja, het feest stierf. In de eerste groote straten zag hij het vuurleven gebluscht; als naglimmende vonken

Sluiten