Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schap en de roes en de begoocheling van het klaterende licht. Begeerig stond hij stil en zoog zich de longen vol aan den klaren en kouden morgen. Want daar in het oosten, daar klom de dag, daar blonk een breede baan licht, in de lengte glorend, mat zilver en bleek watergroen in het parelblauw van den hemel. Innig kwam de dag opschemeren, een handbreedte boven den horizon, boven de laaghangende en rosse bank van mist waarin de stad rillend wegkromp als in een rooden rook. Daar kwamen de feesthuizen te voorschijn in den nuchteren morgen, met kleine en bangelijke silhouetten stonden ze, met de rafellijnen van hun schoorsteenen en van de telefoonhekken op de daken; 't was een lange, vèr verloopende grauwe rij, de kleuren der vlaggen waren er in te raden en soms lichtte er flauw een vensterglas met het bleeke geglimmer van den dageraad.

Hn verder op, daar spleet de dag scheuren in den nevel; de lantarenlichten begonnen te verarmen en te vervuilen in de roetkleur omlaag, en nog wat verder daar sparkelde de morgen al, door het donkere spinneraggewar van masten en touwen en sprieten van rustig vastgemeerde schepen.

Rondom was het stil en algeheel eenzaam. Een man kwam loopen langs den wallekant, hij had een langen stok over den schouder. Telkens stond het donkere figuurtje stil; één voor één verdwenen de roode gaatjes der lichten uit de blauwende schemering.

Huiverend in de kilte verliet hij zijn plaats; onder zijn voeten voelde hij de steenen glibberen, 't was of de grond zweette na de lange slijping en betrapping der eindelooze reeksen van brandende voeten; overal begonnen de huizen weêr los te staan, op te blokken uit den grond. Zie, nog gingen er menschen. Enkele paren schoven voorbij, ze keken schuw en beschaamd om hun verwaarloosde kleêren, hun boorden waren geel en het nuchtere morgenlicht druilde blauw op hun bleeke, uitgeputte gezichten, op

Sluiten