Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een onmetelijke ruimte van rood zand, een urenlange en wijde vlakte, waarop geen bekoring lag, waaruit geen opwindende lijn steeg van een boom of een rots, waar geen waasje van damp de naaktheid sluierde of de ruimte kromp. Als ik van mijn boek opzag, draaide het roode veld door het spoorwegraampje aan mijn oogen voorbij, mijn kijken vloog de rauwe ruimte over, en door de droge zout-smakende lucht, tot aan den altijd rooden horizon die ijzerhard sneed in het brutale blauw van den hemel. Mijn God wat een land, wat een jammerlijke ellende. Soms snelde een lange strook, vlakker en van een bleeker rood, aan het raampje langs, ik zag haar wegslingeren, kronkelen als een lang lint, en al wapperend met ijler wordende kronkels wegpunten naar de lijn van den horizon en dan kwam maar even de gewaarwording op: daar gaat een weg door dat treurige en doode veld.

En maar altijd sneed de trein langs haar ijzeren banen voort door het menschenlooze land. Als ik mijn oogen sluit nu en die snel gevloden gezichten weêr tracht op te roepen, dan komt me niets in de herinnering, niets, geen kar, geen ezel, niets, heelemaal niets dat uitstak, wat ik die groote leegte voor een poosje beheerschen zag, niets herinner ik me dan een zwarte ekster die opvloog van haar aardkluit, maar weêr neerstreek dadelijk, om den voortsnorrenden trein na te gaan zitten kijken met haar slimme oogjes. Een enkele maal schoof een kale venta') hortend achter de telegraafpalen voorbij, of er kwam in de verte de witte mierentroep aanstippelen van een begraven dorp met de groenige vlokken en strepen er om heen van moeielijk ontgonnen terreinen.

Ik weet niet meer waar ik den eersten windmolen zag. Ik had het opgegeven uit het raam te zien. Ik vond la Mancha in mijn boek heel wat mooier. Dus las ik er weêr geducht op los. Ik zag voor me onzen ridder zitten, stijf,

]) Pleisterplaats.

Sluiten