Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nacht buiten was weg, het lamplicht stuurde glansspritsen henen, deed gele gouddraden fonkelen in het zilveren ijsgespin.

Dat was een vreemde flora: daar waren bloemen, geheele tuilen bloemen van kristallen en rijk gerank van naaldijs; daar waren wintertulpen met lippende bladen, gestreept als zomeranjelieren, gekarteld en gesplitst; daar waren bekerbloemen als vischbekken open, windekelken uit ertsen opkomend, droog geneeskruid, wit ijsloof; daar was een wild opgeschiet van niets-waard-zijnd onkruid, en het rijke gebluf en gewring van kas-orchideeën; daar waren gestekelde distels, gansche bossen harige brandnetels, en daar wilde kervel, 't Was allemaal wild gewas, verwaaid klein goed, door elkaar gewoekerd; 't zag er uit als ruig veld er uit kan zien waar wieders door gingen, mannen met zware klompenvoeten; gestroopt en verfomfaaid was de bohemenvegetatie, verpletterd, als wilde planten worden door een wilden wind.

Kijk, daar in de hoogte was een ruit bevaagd met schimmen van bloeisel, zooals ik dat buiten dikwijls zag, diep schemeren onder water, op den grond van een vijver; ik kon ze hier zien groeien, en worden tot de ragteêre karkassen van boomloof bewaard tusschen de bladen van een oud boek; en naar lager, daar was het een forsch gestengel, een geslier en gescheut dwars over het glas, in neêrhangend bladgewapper, gelijk pluimriet, als flakkerend lies, als lang gladiolussengroen. Klein gevlok, sneeuwklokjes, groeiden er verborgen tusschen. Daar was een ontbloeien van kristal-metriek en plantenlenigheid, metrieke bloemen, prisma's en octaëdertjes aan varens gewonnen, mineraal-rijkdom gegroeid aan duizendnaaldige dennen of aan het fijne getak van rendiermos; daar waren pluimen pronkende pauweveêren en daar een bezemig gehaar en gestekei als borsteltjes kattensnorren. O, 't was een mooie flora, het witte ijsgebloei in den wintertuin op mijn ruiten, dat tot ruigten worden ging

Sluiten