Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Wil je het gauw laten, hè."

Een wreed lachen schoof kort hortend den jongen den mond uit. Hij was voorover gevallen van plezier, den krulharigen blondkop met de ruige petkluit van oud bont vooruit, saamgevallen schaterde hij 't uit, de handen op den buik, onder het blauwe gezwabber van het bijna plooilooze vest.

— „'k Mot altijd zoo lachen als u kwaad wordt," zei hij, toen 't eindelijk gedaan was; „maar 't is toch een lief beest, 't is toch jammer."

— „Eergisteren heb ik nog twee katten gevangen," praatte de jongen voor zich uit met zijn spuugstem. „Eén heb ik er op zijn kop getrapt, daar kennen ze niet tegen."

— „Niet?"

— „Nee, ziet u, ik schoot em eerst met een steen, hij liep in het land bij ons op het erf, bij de wagen van m'n zwager, ziet u, en daar begon ie te draaien, en toen dacht ik, wacht; en 'k liep naar em toe, en ratsch mijn hiel op

zijn kop. Kijkt u, zoó Ach, toen was ie toch meteen

uit zijn lijën ook. Wat zegt ü nou?"

Zijn hals en krop was onder 't vertellen aan 't zwellen gegaan; zijn stem werd almaar natter, of 't water hem van achter kwam loopen in den mond; toen hij met zijn hiel draaide en stompen gaf in den grond op de denkbeeldige kat, had er een scheutje oogenwit woest geflikkerd, maar langzaam zakten zijn zware oogleden neêr, 't brutale smoel was weg en hij stond weêr onderworpen, 't hoofd sentimenteel op zij.

En toen zijn stem met een hap ophield was het stil, opnieuw werkstil. Beneden onder het raam trippelden kinderen voorbij, de school ging uit. Ik hoorde hun druk gekibbel, hun opgewonden-zijn in de langzaam vallen gaande sneeuw. Daar ginder kwam gillend een jongen hard aanloopen; achter in mijn werkend hoofd kwamen de frissche geluidjes, jubelend geklank, hoog lachjesgesteiger vol jonge onnoozelheid. Maar als bezeten arbeidde ik

12

Sluiten