Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voort, worstelend om het vliedende gezicht te vatten en te hervatten op dien jongen, dat ik me telkens en telkens, dagen lang, ontsnappen zag en verder weggaan en dan weêr even aankomen, in de wisseling van het geweldige leven dat uit hem spotten kwam. Beneden uit de steenhouwerswerkplaats bomde het onder me, het dof klopgeslaag der houten hamers gruizelend den steen.

Wat een wuft gegroeide neus en 't leek wel of die vagebond honderd monden had; zoo straks was zijn hals rank als een schooljongenshals en nu was 't een krop dien hij opblies, een zak dien hij volstopte met zijn opborrelende wilde neigingen.

Maar in een geslobber van zijn oude kleedij, lui staakbeenend in de afgerafelde broek en te vadsig nog om zijn handen uit den zak te halen, liep hij van zijn plaats zonder iets te zeggen, met de voeten sloffend, en zakte neêr op 't matte stoeltje dat ik voor hem had klaargezet als hij rusten wou.

— ,Je krijgt zoo'n pijn in je rug van dat staan." —

— „Och kom, je hebt gisteravond zeker weêr te veel jenever gedronken, je kop is van morgen net zoo rood als een rooie kool." —

— „Heere God nee, ik ben er af." —

Hij zat al met de ellebogen op de knieën neêrgelaten, en met zijn bonipet als met een dood beest spelend, hing hij voorover, log, vierkant, een vracht op den vloer. En zoo liet hij me neêrkijken op zijn gemeenen rug, die bot kwam onder het opgestop van de vracht oude kleêren, welke arme menschen om de kou over elkander dragen. Onder het neêrstortende vallicht was die rug als een vlak stugheid, een hard klankbord, waar elke goede redeneering op afstuiten en stuk slaan zou. Er was iets zoo geweldig beestachtigs in het geglimmer van zijn ronden rug, iets zoo laags bij den grond in dien nederig gebogen slavenbast, hoe was het mogelijk dat ik in die kluit grofheid ooit had gezien en er telkens weêr inzag, eventjes,

Sluiten