Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

almaar meer meegesleept door zijn fantasieën. Maar soms gebeurde het dat ik het kriebelen van den lust niet weêrstaan kon en hem zei hoe hij loog, dan werd hij kort en norsch, of wel lachte me driest in 't gezicht uit; of zooals meestal, hij maakte zich sentimenteel, lei het hoofd op zij, begon te klagen, schijnheilige woorden, fraseerend zoo zijn grootste leugen, de leugen van zijn bestaan, de leugen die hij met de moedermelk had ingezogen en de leugen van zijn gansche ras en soort: „och een mensch mot al wat doen om zijn broodje te verdiénen; wat zegt ü nou?"

Het rusten had nu lang genoeg geduurd en ik zei:

— „Wil je?"

— ,Ja menheer," maar hij bleef zitten.

— „Neen, ga nu staan. Als je 't goed doet krijg je een

sigaar." „

— „Hè, twee, dan heb ik er van avond ook nog een.

,Twee."

— ,','lk geloof dat er maar weinig jongens zijn die 't bij u zoo goed hebben als ik."

— „Kom, ga nu maar staan."

— „U bent een goeie menheer."

Hij hielp zich op, schokkend in een korten, als een plotselinge hoeststoot, hortenden lach, kwam heelemaal overeind en slobberde in alle vadsigheid vooruit.

En het werken werd hervat onder het luide gegeeuw van den jongen, die met een wijd kakengegaap omdraaide op zijn plaats en me toen kijken liet in zijn open mond met wreede, stompe tanden; als een apenbek, bleek-rood van binnen, klepte de holte toe.

— „Allemaal lust."

Na het geworstel kwam al gauw het krachten slopende geploeter, om het leven te geven, het leven dat alleen leven voortbrengen zal. En het gewerk bezat me weêr, dat alleen maar mijne groote behoefte voldoen kan naar dadengeleef.

Sluiten