Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rein verdwijnend tusschen zijn boompjes en huisjes, met de glinsterende sporen der voetzolen en der wagenwielen, want het vroor nog immer. In de buurt was niemand, maar in de verte van het pad kwam een boerenvrouwtje donker aandribbelen, haar zondagskleertjes schikkend zooals ze kwam uit haar huis, 't kerkboek met gouden slot in de hand. En de huizen stonden alle blank overhuifd en de rook der donkere schoorsteenen was weekelijk blauw in de warmwitte lucht, van sneeuw nog vol. Breed bleek lag het land achter de zwarte rasters, het zwol weg onder het malsche sneeuwdek in de witte winterstilte van den Zondag, en van de zijde des Amstels relde dan soms een gaande of komende tram haar gerei; het kwam, zuiver kïepelgeklank, in de ruimte leêg van geluiden, als het schellen dat een priester vooruit gaat in een roomsch land, wanneer hij het laatste oliesel brengen komt aan een verren stervende.

En ook in mijn huis was het stil, stil door de sneeuw, stil door de zondagseenzaamheid van het huis, en door mijn raam zag ik op lichte daken, doodsbaren onder witte lakens.

Maar tegen den avond van dien stillen dag, toen ik nog eens kijken kwam hoe het haar ging, zat ze vooruitgekropen, den kop boven het schoteltje met water. Wilde ze drinken? Ik reikte haar het schoteltje toe, maar er bewoog geen een begeerte meer uit haar klein lichaam. Was 't om de koelte dat ze zoo hurkte boven het koude water? Brandde de doodskoorts binnen in haar hoofd? Wat kon zoo'n grove man doen voor zoo iets kleins van zijn liefde? Een schoteltje sneeuw zou nog frisscher zijn. Naar beneden en het wit steenen plakje geschept vol frissche sneeuw, en dan de kachel uit en haar zoo gelaten in de kou van de werkplaats.

Maar den volgenden dag was 't pad een poel, het vroor niet langer, het dooiwater lekte en rikketikte om mijn huis»

Sluiten