Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleine overlangsche snede in den goren melkwitachtigen vischbuik. Het mes liet hij vallen, en met den vollen greep van zijn roodbemoorde hand, als een koker knellend om het groenglibberige vel, probeerde hij knijpend en strijkend de huid naar omlaag te stroopen. Maar 't ging niet; de regen gudste, zijn hand werd nat, had aan de wringende paling geen houvast. Hij beproefde het nog eens, maar bukte toen 't weèr niet ging, naar den grond, waar hij zich de hand ruw wreef in de modder van het jaagpad. Met zekeren greep stroopte hij toen de Taling het vel van het levende vleesch. Hij kletste de blauwende saamgekleefde huid voor zich neer, holde me den vinger peuterend de ingewanden bij de kieuwen uit, en sneed er toen den kop af. En de nog altijd levende en wringende paling verdween onder zijn leeren jas, bloedend geborgen in een vischnet daar bij meer prooi.

En de regen stroomde, de bui groeide, kletterend op het pad, blazen slaande in het water en in het dras op den weg, terwijl de man nogmaals bukte, kalm voor zich een bosje gras uit den grond trok, zijn mes er mee schoon wreef, en toen weêr naar het vlondertje ging,, orn zijn handen in het water af te spoelen van slijk en bloed.

Hoog boven zijn geploeter hing de regenwolk, jagend aan haar uitkruivende randen, uit elkaar gewaaid, tot pluis geslagen aan haar wilde zoomen, uitslierend gelij lang wapperend harpijen-haar; maar in het midden was zij een groot velum van rouw, dat doorhangend, land en water bespande met haar droef grijs; een benauwde ophooping was het van lichtwerende duisternis, die het gras blauwde en het water donkerde, een luchtgedrocht met den buik zwanger van somberheid en kwade vernieling. En als voortwentelend in de drift van den wind, schuivend haar donkere vlakken als de platen van een wapenrusting over elkaar, zóo telkens vernieuwend haar oorlogzuchtig aanzien, donkerde de wolk voort, terwijl zij al-maar-door waar zij overdreef, 't land geeselen bleef met waterstnemen

16

Sluiten