Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat inderdaad uit de (gesloten) piano tonen geklonken hadden.

Van den bekenden Spiritualist wijlen Ds. Nieuwold hoorden wij eens iets dergelijks. Op zekeren avond in Amsterdam zijnde was hij verdwaald. Te midden van regen en wind stond hij daar in den donkeren avond op den hoek van een straat te wachten, tot een agent van politie naderde, die hem terecht hielp. Terwijl hij daar zoo stond, dacht hij met heimwee aan zijn gezellige huiskamer en verplaatste zich in de verbeelding in zijn armstoel voor den knappenden en vlammenden haard. Het duurde slechts een oogenblik, maar in dat oogenblik had hij zich zeer levendig thuis verplaatst. Na eenigen tijd weder thuiskomend in zijne pastorie in Friesland schrikte zijne huishoudster, hem ziende, want zij had stellig ifedacht, dat hem een ongeluk overkomen was. Op den bewusten avond toch had zij hem duidelijk zien binnenkomen, in zijn kamer zien gaan en zich in zijn armstoel zien neerzetten. Toen zij bij hem kwam, was hij plotseling verdwenen.

Wanneer wij uitgaan vati de laatste soort verschijningen, — die het gemakkelijkst gecontroleerd kunnen worden, daar men hier twee ervaringen vergelijken kan, de ervaring van hen, die de verschijning zien, en de ervaring van den of de persoon, die verschijnt, — dan kunnen wij vaststellen; 1". dat de verschijning geen hallucinatie is, maar eene realiteit; 2". dat de verschijnende persoon haar veroorzaakt door zijne voorstelling; 3". dat dit niet geschiedt met de bewuste bedoeling oin te verschijnen, maar tengevolge van de zich naar een bepaalde plaats richtende wensch of begeerte van hein of haar, die verschijnt en 4". dat de verschijning geheel en al beantwoordt aan de voorstelling, die de verschijnende persoon zich vorint. Wij moeten dus veronderstellen, dat de sterke voorstelling in verband met den wil of de wensch naar die andere plaats oorzaak is, dat de geest tijdelijk zijn lichaam verlaat, om zich op de plaats der voorstelling te vertoonen in wat een copie van het lichaam schijnt, en ongetwijfeld samenhangt met het geestelijke lichaam, dat de geesten bezitten. Toch kan er niet van een geheel loslaten van het lichaam en een zich geheel aan het lichaam onttrekken van het geestelijke lichaam sprake zijn, daar de persoon levend blijft, terwijl in dat geval het stoffelijke lichaam in een toestand van schijndood zou geraken. Geheel verklaren kunuen wij dus het ver-

Sluiten