Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

instinct begaafd, iaat zich in zijne handelingen niet alleen door dat instinct leiden, maar heeft de macht zij" instinct tegen te gaan, anders te handelen, dan zijn instinct hem ingeeft.

En eindelijk heeft de mensch een voor allerlei aandoeningen ontvankelijk gemoed, dat met de ziel in het nauwste verband staat, doch veel meer omvat dan de ziel. Met dat gemoed kan hij liefhebben, kan hij godvruchtig zijn.

De mensch is dus, door verstand, wil en gemoed, boven de dieren verheven, is een geestelijk wezen; en als zoodanig behoort hij tot eene geestelijke wereld.

Wat gebeurt er nu als de mensch sterft?

Wij weten één ding zeker, namelijk, dat, wat ook het sterven moge zijn, dit verschijnsel, dat een einde maakt aan het aardsche leven, in elk geval uit het lichaam voortkomt. Zelfs al is in de ziel of den geest de eerste oorzaak gelegen, b. v. bij een sterven van verdriet, of de ondermijning der lichaaamskrachten door de inspanning des geestes, is toch de eigenlijke doodsoorzaak steeds lichamelijk. Hetzij ons organisme verwoest wordt, door ziekte, of sterft door gebrek aan voedsel of dampkringslucht, hetzij dat organisme vernield wordt door verplettering of verbranding, hetzij een orgauiseh gebrek onze levensfunctiën aantast, steeds heeft er iets plaats met hel lichaam; of liever nog met de stof, waaruit ons lichaam beslaat. Het leven, dat in ons organisme tintelt en de stof beheerscht, wordt in zijn werking belemmerd; de voorwaarden, waaronder het in het organisme kan blijven werken, worden opgeheven; en zoo kan het leven niet langer voortgaan de stof te beheerschen. Het laat die stof los; het leven verdwijnt uit het organisme; dat organisme houdt daardoor op een organisme te zijn; het wordt er eene afbeelding van. De stof, waaruit dat organisme bestond op het oogenblik, waarop het leven er zich aan onttrok, wordt niet langer door dat leven beheerscht, vastgehouden in het organisch verband. Zij begint zich te ontbinden, d. i. vrij te worden en zich in andere verbindingen om te zetten. En weldra is er vau de stoffelijke verschijning, die wij «mensch» noemen, niets over.

Wat is er intusschen, bij dat stoffelijk proces, geworden van den mensch zeiven? De stof, waaruit zijn lichaam bestond, is niet meer ouderworpen aan het leven, dat iï1 dat lichaam tintelde.

Sluiten