Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren; alles wat «-bovennatuurlijk// was, werd voor duivelskunst uitgemaakt en de oud-testainentische veroordeeling van alle tooverij werd er op toegepast. Tenzij er reden scheen te bestaan om de verschijnselen te houden voor //mirakelen», door God zelf bewerkt. In dat geval werd de persoon, bij wien ze zich voordeden of door wien ze veroorzaakt werden, een //heilige» geacht. Zoo werd dan de eene als heks verbrand, ofschoon zij zieken door handoplegging genas, en in talen sprak, omdat er andere verschijnselen waren, die aan //duivelskunst# werden toegeschreven; eu de andere werd als heilige vereerd, ofschoon er bij haar zich //tooverij» voordeed, omdat er gronden schenen te bestaan aan goddelijke wondermacht te denken.

Zoo traden de geesten als zoodanig langzamerhand op den achtergrond. De christelijke dogmatiek sprak niet van een geestenwereld, en leerde alleen, dat God wonderen doen kon, en dat ook //de Satan» door valsche wouderen de menschen verleidde. Wel bleef het geloof bestaan ain engelen en duivelen, doch de eersten dacht men zich, met de zaligeu, in den hemel, bezig met op hunne harpen God ter eere lofliederen te zingen, en de anderen stonden onder de heerschappij van //den Satan-., die zijne dienaren uitzond om overal kwaad te stichten, terwijl zij overigens in de hel de zielen der rampzaligen pijnigden.

Wat de geesten der gestorvenen betreft, liet geloof aan het //spoken» van ongelukkige geesten, hetzij op hun graf, hetzij op de plek van hun dood, hetzij in hunne vroegere woonplaats, ging niet te gronde, waarschijnlijk telkens gevoed door allerlei ervaringen, die men alleen kon verklaren als door zulke «spoken// veroorzaakt. Toch bleef de vrees voor die geesten als voor //spoken» of schimmen bestaan, en vermengde zich met de vrees voor den duivel.

Intusschen bleef in het geheim de beoefening der Magie bestaan, zooals zij uit het Oosten naar het Westen was voortgeplant, en verbond zich met de overblijfselen van de gennaanschheidensche praktijken der geestenvereering. De '/tooverij» of «zwarte kunst», hoe ook vervolgd en bestreden door de kerk, bleef bestaan tot op onzen tijd; en bereidde in vele opzichten den akker, waarop liet zaad vau het Spiritualisme zou ontkiemen.

Balthasar Bekker trad iu de 17de eeuw op tegen het bijgeloof

Sluiten