Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan inlichten, dan zal men zeker de bewijzen krijgen. Menschelijk toch, in goeden en kwaden zin des woords, is hun doen en laten, hun karakter, voor zoover liet uit hunne handelingen blijkt. Menschelijk is hunne gestalte, wanneer zij gezien worden, menschelijk zijn hunne woorden, is hun schrift. Al de eigenaardigheden, die men onder de menschen aantreft, verschil van landaard, van godsdienst, van karakter, van beschaving, vau kennis, treft men ook ouder hen aan. In één woord, zij maken geheel den indruk van gewone menschen, en niet van wezens van geheel anderen oorsproug, die slechts het meuschelijke nabootsen.

Kn wanneer dan ten slotte sommige dier geesten ons onmiskenbaar herinneren, door hun schrift, hun stijl, hunne handteekeiiing, hun voorkomen, hun gedrag enz. aan bepaalde personen, die wij in hun aardsche leven gekend hebben, en zij verzekeren ons, dat zij inderdaad die personen zijn, en in niets veranderd zijn dan alleen in hun toestand, dat zij nog ons liefhebben, en belang in ons stellen, dan is de realiteit van de manifestaties der afgestorvenen boven allen twijfel verheven, en aanvaardt men het Spiritualisme en zijn bewijs voor de onsterfelijkheid.

Het hoofdbezwaar echter, dat tegen den omgang van menschen en geesten, of liever, van geïncarneerde en geexcarneerde menschen, wordt aangevoerd, is zeker wel het verbod in Deut. IS : 10—12, waar onder de «gruwelen» der heidenen genoemd worden: waarzeggerij, tooverij, duivelskunst, het vragen van een waarzeggenden geest, en liet vragen van de dooden. Indien, zoo meent men, het aan Israël ten strengste verboden was "dooden« te vragen, zou het dan den Christenen geoorloofd zijn 't

En met dit woord der Schrift als punt van uitgang, gesteund door de leer, dat de geheele bijbel «Gods Woord" is en dus ook die uitspraak, meent men bewijs genoeg te hebben, en wraakt alle gemeenschap tusschen de menschen in het vleesch, die de "levenden" heeten en zij, die het vleesch afgelegd hebben en; ten onrechte, «dooden* genoemd worden.

Daarbij worden echter twee dingen over het hoofd gezien. Vooreerst, dat het niet bewezen is, dat een tot Israël gesproken woord ook geheel dezelfde kracht zou hebben voor ons; en ten tweede, dat het niet bewezen is, dat in de plaats in Deuteronomium

Sluiten