Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deeld wordt is het raadplegen van de door heidensche toovenaars zich manifesteerende geesten; en de oorzaak van deze veroordeeling is, dat die waarzeggerij het bolwerk des heidendoms was, en Israël zich van de //gruwelen» der heidenen geheel moest spenen.

Ofschoon dus ten onrechte op grond van dit woord uit Deuteronomium beweerd wordt, dat God «verboden» heeft, dat er gemeenschap zal geoefend worden tusschen menschen en geesten, toch kan het woord ook voor onzen tijd nog wel beteekenis hebben.

Ook nu toch zien wij tweeërlei mediumschap: het banale, ongeheiligde, wereldsche, en het ernstige, geheiligde. En zeker is het voor den Christen beter met het eerste zich niet iu te laten. Dit behoeft hem echter niet te beletten het tweede te waardeeren als een gave Gods, en gebruik te maken van het heldere, vriendelijke licht, dat God door middel er van over den nacht der graven deed schijnen.

«Maar waartoe dient het?// zoo blijft menigeen vragen. «Waartoe is het nu toch noodig, dat zij, die door den dood van het tooneel dezer wereld weggenomen zijn, weer terugkeeren naar de aarde? Is het al niet erg genoeg, dat zij hier hun levensweg hebben moeten voleindigen, die toch voor ieder vol moeite en strijd is, dat ze nu ook nog na den dood in het aardsche ingetrokken moeten worden?» Ja, er zijn menschen, die het rondweg uitspreken, dat zij zouden meenen, zich te bezondigen, indien zij de geliefden, die heen gingen, weer hier wenschten te spreken. En ook al acht men het niet bepaald zondig, en al ziet men in het komen der afgestorvenen tot ons op zichzelf geen kwaad, dan nog blijft men roepen: «Maar waarvoor dient dat nu toch?»

De groote beteekenis der geestmanifestaties door middel van mediums, de beteekenis van het op deze manifestaties berustende Spiritualisme ligt hierin, dat de sluier van het toekomende leven een weinig opgelicht wordt.

O, wij weten het, honderden zoogenaamd «geloovigen» verzekeren dit niet noodig te hebben. Zij zijn, naar zij zeggen, vast overtuigd van een leven na dit leven, en verlangen verder niet naar het »Hoe?// van dat leven te vorschen. Zij willen niet, naar zij zeggen, iu ijdele nieuwsgierigheid zoeken door te dringen fu wat God verborgen heeft gehouden, eu troosten zich met de gedachte, dat

Sluiten