Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Strafrecht in de Tweede Kamer zeide de Heer Van der Hoeven als Regeeringscommissaris, dat het naar zijne meening nog wel niet zoo spoedig tot afschaffing van den militairen rechter zou komen ')• Bij het eerste ontwerp, zooals het bij den Raad van State werd ingediend, nam de Regeering het standpunt van den Heer Van deu Hoeven in. Later liet zij het ontwerp van Wet tot voorloopige regeling van de rechtsmacht van den militairen rechter rusten, wellicht naar aanleiding van liet advies van den Raad van State, die het ten zeerste zou betreuren, indien naast een nieuw Wetboek van Militair Strafrecht, zij het voorloopig, een formeel recht bestaan bleef, dat èn wat de verouderde manier van procedeeren in het algemeen èn wat sommige onderdeelen in het bijzonder aangaat, niet anders dan hoogst gebrekkig kan worden genoemd. De Regeering liet de principieele quaestie dus tot later rusten, maar naar mijne meening zal men het formeele recht, zooals het nu geldt, niet belangrijk kunnen wijzigen zonder de allesbeheerschende vraag ter sprake te brengen. Zelfs meen ik te moeten betwijfelen, of het verouderde procesrecht, dat een sterk inquisitoriaal karakter draagt, wel belangrijk kan gewijzigd worden. In elk geval wordt meer en meer aangedrongen op eene beslissing zoowel door hen, die afschaffing van de militaire jurisdictie allerverderfelijkst voor het leger beschouwen en daarom opnieuw de rechtsmacht van den militairen rechter door den weigever vastgesteld wenschen te zien, als door hen, naar wier oordeel de afschaffing eerst rechtszekerheid en rechtsgelijkheid aan den militair zal brengen. De belangstelling in het leger en zijne instellingen is hier te lande in de laatste jaren zeer toegenomen en de kennis aangaande militaire toestanden door het instituut van het reservekader en door de invoering van den persoonlijken dienstplicht zeer vermeerderd. Elders, waar algeineene dienstplicht, bestaat, is de band tusschen leger en volk nog inniger. De rechtstoestand van den soldaat is in landen, waar persoonlijke dienstplicht is, een algemeen gevoeld belang, dat ernstige behartiging verdient en dit ook eischt. Toen het militair recht alleen huurlingen betrof, golden andere eischen en vroegen andere belangen behartiging. Deze omstandigheden zullen niet toelaten, dat bij de aanstaande wijziging van het militair procesrecht de primaire vraag in het

l) Handl. St.-Gen. 1901-1902 blz. 1194<r.

Sluiten