Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het leger was de gewapende burgerij. Evenwel oefende het karakter van den staat grooten invloed op de legervorming uit. „Wie bei erobernden Vólkern immer, so war auch bei den Herrschervölkern Griechenlands das Kriegswesen aufs Innigste verwachsen mit dem ganzen bürgerlichen Leben. Die Eintheilung der Heere in organische Verbande steht daher stets im Zusammenhange mit der bürgerlichen Eintheilung der Völker, erhalt sich mit ihr und wechselt mit ihr" l).

Terwijl nu in Athene alle mannen van 18 tot 60 jaar weerplichtig waren en naar behoefte voor de verdediging des lands werden opgeroepen, ontving in Sparta volgens de wetgeving van Lycurgus de geheele mannelijke jeugd van staatswege eene militaire opvoeding. Van hun 20ste tot hun 60ste jaar weerplichtig, mochten zij zonder toestemniig het land niet verlaten. Athene was een democratische staat, welke alleen voor den oorlog zijn burgers tot den dienst verplichtte, maar zich dan ook niet ontzag alle beschikbare mannen op te roepen ").

Overigens koos elke phyle — er waren in 't geheel vier phylen haai' strateeg, hare taxiarchen en phylarchen en voerden de strategen bij toerbeurt een dag het opperbevel. Tot aan den slag bij Marathon had een der negen archonten, de polemarch, het opperbevel en besliste ook, wanneer de strategen het niet eens waren.

„Die Stadt Sparta war das stehende Kriegslager" 3). De bevelhebbers waren tegelijk civiele autoriteiten en werden aanvankelijk door de koningen, later door de Ephoren, een college van 5 leden, dat bijna de geheele uitvoerende macht bezat, benoemd4). Deze Ephoren bepaalden ook, hoeveel lichtingen moesten opgeroepen worden.

Na 400 v. (Ihr. geraakte het leger snel in verval, wijl de burgers zich door huurlingen lieten vervangen. Deze huurlingen, lieden zonder vaderland, dikwijls deserteurs of andere misdadigers, werden

') RüSTOW und Köchly, t. a. p. blz. 35.

') Böckh, Staatshaushaltung der Athener, I blz. 364 beweert, dat van de 500000 inwoners in het begin van den Peloponnesischen oorlog minstens 91800 man in het leger dienden. Naar dien maatstaf zouden wij nu ± 1 millioen soldaten moeten hebben.

3) Gilbert, Handbueh der grieehisehen Staatsalterthümer, I blz. 96. Zie ook dr. H. van Gelder, Algemeene Geschiedenis, I. blz. 254—256.

4) Rüstow und KöCHLY, t. a. p. blz. 40.

Sluiten