Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hare oude instellingen, ook in wezen, gehandhaafd. Met Dioci.etianl's (284 n. Chr.) veranderde niet alleen het karakter van het Ronieinsche rijk, maar werden ook vele schijninstellingen prijs gegeven. Veranderingen, die vooral het krijgs- en rechtswezen betroffen en daarom voor ons van groot belang zijn. Ik zal nu deze eerste en laatste perioden van de Romeinsche geschiedenis nader beschouwen en met elkaar vergelijken, voor zooveel het krijgswezen en de strafrechtspleging aangaat.

„Er zijn weinig instellingen van de Romeinsche republiek, waarover zooveel onzekerheid heerscht als over de legerinrichting" zeide Dr. C. J. Vinkesteijn in de Vereeniging ter beoefening van de krijgswetenschap 1). Toch waren de Romeinen een militair volk, dat eeuwen lang krijgvoerde en door zijn legers zich van een klein onbeduidend staatje tot een wereldrijk ontwikkelde. Maar die onzekerheid komt naar mijne meening voort uit de omstandigheid, dat het geheele weerbare volk het leger vormde en geen afzonderlijke legerinstelling in den oudsten tijd bestond. Zelfs na de legerhervorming, welke aan Servius Tullius (578-534 v. Chr.) wordt toegeschreven, bleef ieder Romeinsch burger weerplichtig en waren de comitia centuriata niet anders dan eene vergadering van het gewapende volk. De verdeeling der weerbare mannen in vijf classes geschiedde uit politieke doeleinden, niet om militaire redenen. Wel schijnt de wapenrusting der classes niet gelijk geweest te zijn 2), maar zekerheid bestaat dienaangaande niet, daar de ontwikkeling van het krijgswezen nog geen groote vordering had gemaakt en alle soldaten nog naar lichaamskracht gewaardeerd werden. Dienstplicht was nog een burgerrecht. „Être soldat romain, c'était le plus beau titre dont un homme put s'enorgueilllir. Loin d'être regardé comme une charge, ce titre de soldat—miles romanus—ne pouvait, dans les beaux siècles de la République, appartenir qu'au citoyen. L'on considèrait comme un criminel celui qui, sans posséder le droit de cité, osait prendre rang dans la légion" zegt Jules Rouqüié 3) terecht. Ook toen het leger uitbreiding noodig had en de Romeinsche staat zelf geen voldoende manschap meer leveren kon, bleef het burgerrecht voorwaarde voor de inlijving. Door de bondgenooten — socii

') Het burgerleger van de Romeinsche republiek. Verslagen 1890 97 blz. 324-356 ') Hoekstra, Romeinsche Antiquiteiten blz. 9.

:') Les juges militaires et leur nécessité blz. 35.

Sluiten