Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkheden was altijd appel op de keizerlijke hoven. De bezitters van erfleenen hadden ook rechtspraak over hunne onderhoorigen, doch van deze uitspraken werd geappelleerd aan het Landgericht van den staat, waarin het erfleen lag.

De adel en de ambtenaren kregen fora privilegiata, in dien zin, dat zij terstond terechtstonden voor het opperste gerechtshof van het Rijk, zoo het den hoogen adel en de rijksambtenaren betrof, of van den staat, wanneer het den lageren adel en de ambtenaren van dien staat aanging.

Terwijl de verscheidenheid der rechters in Frankrijk op eene zakelijke bevoegdheid berustte, lag hier de verbrokkeling van het Duitsche Rijk aan de talrijke colleges ten grondslag, nog vermeerderd door den invloed van het kanonieke recht, dat het beginsel van meerdere instantiën kende.

Nergens bestond grootere verscheidenheid van jurisdictie, minder zekerheid ten opzichte van de competentie, meer naijver tusschen de gewestelijke en stedelijke colleges dan in ons land. In geen land werd meer getwist over allerlei bijzaken, die met eene snelle en goede rechtsbedeeling niets hadden uittestaan en heerschte eene grootere ongelijkheid van rechtspraak, vaak tegenstrijdigheid dan in de Republiek '). In Holland was „bij de meer dan honderd regtbanken, volgens eene uitdrukking door het Hof van Holland gebezigd, de stijl van regtspleging in extraordinaire procedures bijna zoo different, als er differente regters waren. Ja zelfs, bij dezelfde regtbanken zag men schaars eene eenvormigheid van procedeeren, omdat de meeste schepenen slechts voor twee of drie jaar gekozen werden en het gebruik van verschillende praktizijns de eenvormigheid der toepassing niet bevorderde" -)• Niet alleen elk gewest, maar elke stad had haar eigen rechterlijke macht, wier competentie zich niet buiten de grenzen van het stadsgebied uitstrekte. Wel was er in de meeste provinciën een college, dat in hooger beroep jurisdictie over het geheele gewest had :l).

De toestand was hier in het begin der zestiende eeuw niet beter dan

') J. D. Meijer, t. a. p. IV, lilz. 188-89, geeft hierover eene weinig vleiende schets.

-) De IJosch Kemper, Wetboek van Strafvordering, I. Inleiding blz. CXX. 3) Zie uitvoeriger over de provinciale en stedelijke colleges De Bosch Kemper, t. a. p. I, blz. LXXXII—XCVIII.

Sluiten