Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vinden kon '). De tweede grond zal ieder, die weet, waarom tijdens de Republiek eene universeele militaire jurisdictie alle redenen van bestaan had, onbegrijpelijk vinden. Juist omdat „alle territoriale distinctie" had opgehouden, vervielen deze redenen van bestaan voor de militaire jurisdictie. Flet laatste argument legt weinig gewicht in de schaal. Immers, of het „militaire point d'honneur" toelaat, dat een misdadiger in de gelederen blijven kan of niet, is een administratieve eisch. Is men van meening, dat hij niet kan behouden blijven als militair, dan wordt liij ontslagen en anders blijft hij na expiratie van zijne straf2). Elders heeft men een maximum van gevangenisstraf aangenomen, dat nog gedoogt, dat de gestrafte soldaat in de gelederen blijft.

Sterke gronden waren het dus niet, waarop eene grondwetsherziening werd gevorderd. Door omstandigheden is deze herziening wel is waar achterwege gebleven, maar zij hebben veel invloed op de totstandkoming van de artikelen 115 der Grondwet van 1814 en 188 der Grondwet van 1815 gehad, waarin de universeele militaire jurisdictie werd voorgeschreven 3).

Het Ontwerp met het Rapport werd bij Koninklijk Besluit van 8 Juli 1807 aan de eerste en derde sectie van den Staatsraad gezonden, die 1 September d. a. v. een rapport uitbrachten dooide Staatsraden Queijsen en Jacobson onderteekend ') en waarin vooral de uitbreiding van de militaire jurisdictie breedvoerig werd bestreden. Nadat in December 1807 te Utrecht in den Staatsraad in zijne tegen-

') Mr. Pols (Handl. Ned. Jur. Ver. 1881 I blz. vlg.) wijdt in den breede uit over de moeilijkheid om commune en militaire delicten te onderscheiden, maar vergeet mijns inziens te veel, dat eene goede redactie tal van geschillen voorkomt. Hij beroept zich nu telkens op ons slecht geredigeerd wetboek.

2) Nog niet lang geleden kwam het voor, dat een milicien tijdens zijn groot verlof diefstal met braak pleegde en, terwijl hij reeds volgens art. 112 der militiewet vrijwillig onder de wapenengekomen was, met twee maanden gevangenisstraf werd gestraft door den burgerrechter. Op voordracht van zijn chef werd hij toen door den Minister van Oorlog met een briefje van ontslag weggezonden. Zie ook de Inleiding der Derde Afdeeling.

:1) Zie Vreede t. a. p. Inleiding blz. V en vlg. en het aldaar aangehaalde citaat uit het Journal van Raepsaet, blz. 120.

4) Dit rapport alsmede het ontwerp-1808 zouden eene plaats gevonden hebben in het tweede stuk van Vreere's werk, dat wegens geringe belangstelling niet werd voortgezet. Beiden zijn nu door mr. Pols meegedeeld; het ontwerp-1808 in Themis 1806 blz. 819 vlg. en het rapport in Themis 1807 blz. 120 vlg.

Sluiten