Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den Beer Poortugael zich toen in tegenovergestelden zin uitliet. Hij zeide aangaande de samenstelling van den krijgsraad o. m. '): „Wanneer de commune misdrijven niet meer tot de bevoegdheid der krijgsraden behooren, zal, om de zuivere militaire te beoordeelen de f/roote meerderheid der leden 2) uit officieren moeten bestaan. Ik zou zelfs gezegd hebben, de geheele raad, wanneer niet algemeene rechtsbegrippen voor elk recht geldend waren en het toepassen ervan rechtskennis vorderde." En, na er dan op gewezen te hebben, dat de algemeene leerstukken van het strafrecht „ook bij liet rechtdoen over militaire misdrijven worden toegepast," vervolgt hij: „Het is dus noodzakelijk2), dat er nog een ander rechtsgeleerde dan de als aanklager optredende auditeur-militair in een krijgsraad zitting hebbe tot voorlichting van de militaire leden. Deze moeten stem hebben. Twee rechtsgeleerden en vier officieren als leden en een hoofdofficier als voorzitter, zou vermoedelijk eene goede verhouding zijn." Men bedenke, dat hij wensclite, dat de commune delicten aan den gewonen rechter zouden komen.

Ook mr. Rollin Couqüerque 8) is van meening, „dat uit een militair-opvoedkundig oogpunt, ook in vredestijd, aan den burgerrechter geene rechtsmacht over militairen opgedragen mag worden" en wil zelfs op militaire gronden, dat „het Departement van Justitie buiten alle werkzaamheden aangaande de samenstelling en, waar noodig, de toepassing en interpretatie der militaire strafwetten, speciaal die van de militaire rechtspleging en van de militaire rechterlijke organisatie, worde gehouden en dat al deze werkzaamheden, evenals de geheele administratie der militaire justitie worden overgebracht en behandeld bij de militaire Departementen van Algemeen Bestuur" 4).

En de onlangs overleden Advocaat-Fiscaal bij het Hoog Militair Gerechtshof, mr. P. VerLoren van Themaat wijst eveneens herhaal-

') Handelingen, I, blz. 231—232.

*( Ik cursiveer.

In zijn praeadvics. Handelingen 1!)00, I blz. 315—317.

4) Rehm, t. a. p. blz. 410 wil ook de militaire rechtspleging, «naeh der neuen Militarstrafgerichtsordnung als cin Stiick Militüxrcrwaltwig > opvatten en zegt, dat »die Militiirstrafgeriehtsbarkeit ist Ausfluss der Militar-, nicht der Justizhoheit des Staates.»

Sluiten