Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedaan zijn, en wel, omdat alleen in de Begnïndung zu § 149 des Entvvurfs over liet legaliteitsbeginsel gesproken wordt en niet in de wet zelve.

Is de klacht aanhangig gemaakt, „so muss die Sache auch zur Aburtheilung gebracht werden (§ 2G0.)" De Gerichtsherr zou dus niet meer kunnen ingrijpen, doch § 272 bevat eene uitzondering ten gunste van den beschuldigde, dewijl volgens deze paragraaf de Gerichtsherr „auf Grund neu hervorgetretener Umstande vor der Hauptverhandlung die Anklage zurücknehinen oder einschranken" kan. Volgens Stenglein *) is deze bepaling in strijd met de beginselen van het burgerlijke strafprocesrecht en wordt het beginsel van § 200 op zijde gesteld. Slechts onder twee beperkingen is de Gerichtsherr bevoegd: a. er moeten „neu hervorgetretene Umstande" te berde gebracht worden en b. alleen ten gunste van den beschuldigde. De Gerichtsherr mag voorts niet deelnemen aan de Untersuchungshandlungen en niet tegenwoordig bij de Hauptverhandlung zijn, ook als is de openbaarheid niet uitgesloten. Uitdrukkelijk is in § 325 het geheim van de raadkamer voorgeschreven, zoodat de Gerichtsherr niet weten kan, hoe de rechters, ieder voor zich, gestemd hebben.

De handhaving van den „Gerichtsherr" is van verschillende zijden algekeurd. Vooral in Beieren was het verzet groot, omdat de aldaar sedert 1809 geldende Militarstrafgerichtsordnung den „Gerichtsherr" niet kende. In elk geval wenschte men daar scheiding tusschen de vervolgende en de rechterlijke functies van den Gerichtsherr2). „Errichtung standiger Anklagesenate" werd voorgesteld. De rechter van instructie moest, hoewel aangewezen door den Gerichtsherr, zelfstandig zijn. De afgevaardigde Beckh 3) noemde den Gerichtsherr „eine antiquarische Erscheinung, ... ein altes feudales Institut.... eine ganz merkwürdige, eine ganz absonderliche Einrichtung.... ein mixtum compositum aus allen möglichen Befugnissen des obersten Befehlshabers und obersten Kriegsherrn, des Staatsanwalts, des Untersuchungsrichters und des Gerichts selbst."

') Aant. 1 ad § 272. Weiffenbach, Militarrechtliche Erördenung, blz. 10 geeft dit toe.

2) Zie o. a. Prof. Dr. Oetker, Gericht, Gerichtsherr Verteidigung, blz. 20 vlg. 8) Bij de eerste lezing in den Rijksdag. Stenographische Berichten blz. 43 vlg.

Sluiten