Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Gerechtigheid schendt. En deze schending kan niet anders dan nadeelig en gevaarlijl voor de discipline zijn hetgeen telkens opnieuw ook blijkt.

In ons land zijn de functiën van den Gerichtsherr in den regel over meerdere personen verdeeld. Reeds vroeger hebben wij gezien, dat het Rijk ter uitoefening van de militaire justitie in vijf militaire arrondissementen verdeeld is, over welke de Bevelhebbers in de drie Militaire Afdeelingen als commandeerende officieren zijn aangewezen en wel de Bevelhebber der lc Militaire Afdeeling over het 1° ('s Gravenhage) en 4° arrondissement (Haarlem); de Bevelhebber der 2° Militaire Afdeeling over het 3° (Arnhem) en het 5R arrondissement (Leeuwarden); en de Bevelhebber der 3C Militaire Afdeeling over het 2e arrondissement ('s Hertogenbosch.) Zij moeten waken „in deze hunne hoedanigheid", dat de Rechtspleging bij de Landmacht wordt gehandhaafd. Daar deze Bevelhebbers nu als hunne standplaats respectievelijk Amsterdam, Utrecht en Breda hebben, bepaalt zich hun toezicht tot eene controle over de Plaatselijke en Garnizoenscommandanten, wat hun krachtens het bevelhebberschap reeds toekomt. Zij beslissen bovendien ook niet in jurisdictiegeschillen, hetgeen aan het Hoog Militair Gerechtshof opgedragen is.

Eene gewichtiger plaats neemt de Plaatselijke of Garnizoenscommandant in, vooral van het garnizoen, waarin hel korps, waartoe de beschuldigde behoort, verblijf houdt. Zoodra een militair beschuldigd wordt een of meer feiten gepleegd te hebben, die niet alleen het korps betreffen, of, wanneer zij dit al of niet doen, maar „daarin door een Krijgsraad moet worden regt gedaan", *) ligt de beslissing over de zaak in handen van den „Commandant van het Garnizoen." Hij kan van meening zijn, dat „de zaak van die natuur is, dat dezelve buiten den Krijgsraad kan worden afgedaan"2) en zal dan na onderzoek „de straf kunnen en moeten bepalen, wanneer de daad of overtreding de Garnizoensdienst betreft; maar bijaldien de daad of overtreding de Regimentsdienst aangaat, zal hij de bepaling der straf aan den Commandeerenden Officier

') Art. 9. R. L.

2) Art. 13. R. L.

11

Sluiten