Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dass sie unter allen Umstanden den Erfordernissen militarischer Zucht und Ordnung Rechnung tragen werden, als Vertheidiger volden Militargerichten zu" 1). Of daarmee de mogelijkheid van eene deskundige, onafhankelijke verdediging, juist, wanneer zij noodig is, werd buitengesloten, woog bij de samenstellers van het ontwerp blijkbaar minder zwaar dan de vrees voor „ Angriffe auf fundamentale Einrichtungen und Anschauungen des Heeres". En dat, terwijl de vrees ongewettigd was, gelijk van verschillende zijden werd betoogd. Zoo schrijft Oetkeh 2) — om ééne getuigenis aan te halen — „Der verteidigende Rechtsanwalt hat pflichtmassig nur ein Ziel vor Augen: Freisprechung oder doch möglichst geringe Bestrafung seines Klienten. Sollte er ein geeignetes Mittel dazu in einer Philippika gegen den Militarismus erblicken? Vor militarischen Richtern ? Und bei Ausschluss der Oeffentlichkeit aus Gründen der militarischen Disziplin auch ohne Publikum?" Intusschen werd het ontwerp op voorstel van de Kommission door den Rijksdag zoo gewijzigd, dat „Rechtsanwalte, welche von den obersten Militarjustizverwaltung ernannt sind" 3), als verdediger zijn toegelaten in alle zaken, terwijl de overige Rechtsanwalte, mits zij aan enkele voorwaarden voldoen, in een aantal zaken betreffende commune delikten toegelaten zijn ')• Natuurlijk, dat de actief dienende officieren en de nicht-richterliche obere Militarbeamte zoowel wegens hun gemis aan rechtskennis, als wegens dat aan zelfstandigheid, niet de aangewezen personen voor de verdediging kunnen zijn. Evenmin wegens hunne afhankelijkheid Kriegsgerichtsrathe und die bei den Militargerichten beschaftigten Assessore und Referendare (Praktikanten)" 5). De splitsing der Rechtsanwalte in twee categorieën zal niet bevorderlijk zijn om den tegenzin te overwinnen, welke bij vele advocaten bestaat om voor Militargerichte op te treden. Weliswaar is het oorspronkelijk ontwerp ten aanzien van de toelating van Rechtsanwalte veel verbeterd dooiden Rijksdag. I!) Doch in de Beiersche Militarstrafgerichtsordnung van

') Begründung. Materialien, blz. 99a.

T. a. p. blz. 24. Zie ook Bericht der Kommission. Materialien, blz. 172-176 en de debatten in den Rijksdag. Stenographische Berichte, blz. 182-187. ") § 341 no. 5 Militarstrafgerichtsordnung.

4) Zie hiervoor blz. 190 en noot 1 aldaar.

6) § 341 no. 2 Militarstrafgerichtsordnung.

") Zie over dat voorstel de petitie van de Berlijnsehe Anwaltskammer aan den Rijksdag in het Deutsche Juristen Zeitung, 1898 blz. 75.

13

Sluiten