Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

militairen rechter. Doch in ieder geval behouden de vroegere verhooren voor officieren-commissarissen hunne volle kracht'). Bovendien behooren de verhooren voor officieren-commissarissen buiten de residentie ingevolge art. 31 van de Rechtspleging bij de Landmacht allereerst aangevuld te worden door verhooren voor officierencommissarissen in de residentie, door mr. van Meurs ten onrechte „eindverhoor" genoemd 2). Zelfs is het in de praktijk gewoonte, dat de auditeur-militair het verzoek tot den Plaatselijken of Garnizoenscommandant, die de zaak heeft verwezen, richt om nader beschuldigde of getuigen te hooren.

Wanneer nu geen nadere verhooren in den vollen krijgsraad plaats vinden, oordeelt de krijgsraad zonder een enkelen getuige te zien en zonder van den beklaagde meer te hooren dan dat hij persisteert bij zijne vroegere verklaringen. En hebben deze aan. vullingsverhooren wel plaats, dan wordt toch nog recht gedaan op getuigenissen, welke den krijgsraad slechts uit de voorlezing dooiden auditeur-militair bekend zijn. Openbaarheid zou dan ook geen zin hebben, want de toehoorders zouden slechts stukken hooren voorlezen, waarvan zij de juistheid niet kunnen nagaan. Er zou toch geen publieke controle zijn, zoolang geen contradictoire debatten plaats vinden. De schriftelijke procedure is geheim, ook al laat men publiek toe op de terechtzitting. Eerst wanneer men de geheele aanklacht ter terechtzitting gaat behandelen, kan aan de invoering van openbaarheid gedacht worden.

Nadat het recollement en de voorlezing der stukken zijn geschied en eventueele nadere verhooren zijn afgeloopen, verzoekt de auditeur-militair binnen drie dagen bij schriftelijke voordracht vrijspraak, wanneer hem de onschuld van beklaagde blijkt of de bewijzen van schuld niet voldoende zijn; of absolutie van de instantie, wanneer voor 't oogenblik die bewijzen nog onvoldoende zijn, maar wellicht te eeniger tijd kunnen aangevuld worden; of „tot het doen van eisch op de confessie van den beklaagde te worden geadmitteerd" 3), wanneer de beklaagde heeft bekend; of „tot het doen van eisch, op de bewijzen in extra-ordi-

') Art. 170 R. L.

') Tijdschrift van Strafrecht XV, blz. 134. Hierop wordt ook door den kapitein Jhr. Storm van 's Gravesande gewezen in de Fcbruari-aflevering van den Militairen Spectator 1903.

3) Art. 174 R. L.

Sluiten