Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„haal van het geval of van de zaak, zoodanig als daarvan uit de [confessie of andere stukken blijkt", mitsgaders „in een betoog van [des beklaagden schuld afgeleid uit hetgeen beleden of bewezen is" en eindelijk „in eene aanhaling van de wet of wetten, welke op „het geval of de zaak toepasselijk zijn" '). Binnen drie dagen — als regel in dezelfde zitting2) — neemt de krijgsraad de zaak in overweging en wijst vonnis". Terwijl de wet termijnen stelt van drie dagen tusschen den afloop der verhooren en de schriftelijke voordracht van den auditeur-militair, twee dagen voor het dienen van eisch en drie dagen voor de overweging der zaak en het wijzen van het vonnis, schijnt in de praktijk, te Arnhem .althans, vlug, zeer vlug de zaak afgehandeld te worden. In ééne zitting! De auditeur-militair haalt achtereenvolgens de schriftelijke voordracht, den eisch en het concept-vonnis uit de zak en leest deze stukken voor. Staande de zitting toch zal hij moeilijk, nadat ook de krijgsraad de zaak voor voldongen houdt, zijn eisch kunnen concipieeren en na dezen voorgelezen en de beraadslaging aangehoord — inde meeste gevallen er aan deelgenomen te hebben, het vonnis opstellen, al wil art. 206 van de Rechtspleging bij de Landmacht dit dan ook. Daarbij komt nog, dat de leden van den krijgsraad evenmin na de voorlezing, zoo noodig na herhaalde voorlezing der stukken, eene grondige kennis van de zaak hebben, te meer niet omdat zij de rechtskennis missen, welke vereischt wordt om in dikwijls moeilijke rechtsvragen te kunnen doordringen. „ Het valt te betreuren, dat in de praktijk de krijgsraad weinig gebruik maakt van den termijn bedoeld in art. 203 van de Rechtspleging bij de Landmacht" zeggen dan ook de heeren Gollette en van Dijk terecht ).

De president van den krijgsraad doet bij de beraadslaging hoofdelijke omvrage, beginnende met het jongste lid, en brengt zijn gevoelen liet laatst uit. Daarna zal hij „de conclusie opmaken bij eenparigheid, volstrekte meerderheid of naar hetgene de aard der zaak en de voorschriften van het regt zullen vereischen" 4). Welke voorschriften van het recht? Art. 210 van het Crimineel Wetboek voor

') Art. 184 R. L.

2) Ik cursiveer.

3) T. a. p. blz. 203.

*) Artt. 204 en 205 R. L.

Sluiten