Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„neen" zonder redeneeren beantwoorden en dan zon ik geneigd zijn alleen de eerste vraag met „ja" en de anderen met „neen* te beantwoorden, doch eene dergelijke beantwoording geeft niets. Het is er juist om te doen, waarom men aldus antwoordt, zoodat redeneeren vereischt is. Op de eerste vraag antwoord ik dus met „ja, maar de ondergeschikte moet ook bereid zijn het hoogste te geven", in welker toevoeging reeds ligt opgesloten, dat ik op de tweede vraag „neen" zeg. Immers, om zijne soldaten beter voor den oorlog voor te bereiden, verdeelde Peter de Groote hen in twee partijen, die elkaar als in den oorlog met scherpe patronen beschoten. Niemand zal ontkennen, dat de soldaten daardoor zich beter leerden dekken in het terrein dan wanneer met losse patronen of zonder dezen gemanoeuvreerd wordt. Toch zal ook niemand om de geoefendheid in vredestijd zoo hoog mogelijk op te voeren, nu nog dergelijke moordpartijen wenschen. Evenmin zal men willen, dat om het prestige, het gezag van den meerdere te beproeven, deze het recht bezit oin een enkele maal van zijne ondergeschikten te vergen, dat een of meer hunner het hoogste geeft, wat de eene mensch van den andere eischen kan. Scipio zeide, — ik deelde het reeds eerder mee — dat elk zijner soldaten zich onmiddellijk op zijn bevel van de hoogte zou storten, doch dit was toen evengoed als nu zonder gebiedende noodzakelijkheid eene niet wenschelijke proefneming. Het is aan deze gronden toe te schrijven, dat in vredestijd beperkingen aan de bevoegdheden, die uit het gezag van den meerdere voortvloeien, zijn gesteld. Men wenscht deze bevoegdheden niet in al hare uitgebreidheid toe te kennen, hoewel men niet ontkent, dat daardoor anders het prestige van den meerdere zou worden opgevoerd. Men wil nu eenmaal geen gehoorzaamheid perinde ac cadaver en wel, omdat het niet noodzakelijk is, omdat een hooger belang het verbiedt. Nu weet ik wel, dat de kolonel Kooi.ema.ns Beijnen spreekt van rzoo hoog mogelijk7' en derhalve kan zeggen, dat hij dat prestige ook niet hooger wil opvoeren, dan noodzakelijk en mogelijk is, doch eene gehoorzaamheid perinde ac cadaver, eene bevoegdheid om over leven en dood te beschikken, is niet onmogelijk. En bovendien, wanneer het relatieve van de tweede vraag aldus moet opgevat worden, zal men haar wel bevestigend beantwoorden, doch tegelijkertijd ontstaat dan de gerechte twijfel, of het ter wille van het prestige van den meerdere wel noodzakelijk is,

Sluiten