Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gepleegd door middel van liet vluchtige woord, zooveel langer vervolgbaar blijft dan hetzelfde misdrijf, gepleegd in duurzaam schrift, nu als reden van de verjaring wordt opgegeven „eensdeels de ver„flaauwing der herinnering aan het gebeurde, het allengs insluimeren „van het publiek geweten, dat eindelijk geen straf meer vordert, „anderdeels het allengs moeijelijker, ja onmogelijk worden van het „bewijs" 1). Men zou, deze woorden lezende, eer eene verlenging dan eene verkorting van den verjaringstermijn mogelijk achten 2).

Waarschijnlijk is hier voortgebouwd op den grondslag der wetten van 10 Mei 1829, Stbl. 34, en 1 Juni 1830, Stbl. 15, maar dan is uit het oog verloren dat die politieke wetten in en voor eeuen tijd van beroering zijn gemaakt, en wat dan goed kan zijn nog niet behoeft en behoort te worden gegeneraliseerd.

2. Voor de overige misdrijven werd als regel aangenomen dat de verjaring in dier voege moet worden bepaald, dat er zekere evenredigheid tussehen den duur der straf en den verjaringstermijn bestaat, „opdat hij, die zich door de vlugt aan de hand der justitie onttrekt, „langer uit de Nederlandsche maatschappij verwijderd blijve dan de „gestrafte".

Dat deze regel nu toepasselijkheid mist hij levenslange gevangenisstraf ligt voor de hand; doch waarom hij voor langdurige tijdelijke gevangenisstraffen moest worden omvergeworpen is niet zeer duidelijk: daaromtrent wordt eenvoudig geleerd, dat „anders bij de misdrijven, waartegen eene langdurige straf is bedreigd, de verjaringstermijn langer zoude worden dan wenschelijk en in 't belang der openbare orde noodig is". Daarom geen langer termijn dan twaalf jaar. Waarom deze termijn, die overigens voor vele misdrijven onevenredig lang is, door de wenschelijkheid geboden en door de openbare orde gedoogd wordt, blijkt niet.

3. Bij no. 2 tot 4 van het artikel wordt de verjaringstermijn in verband gebracht met de straf die op het misdrijf is gesteld. Dit wordt zóó onbeperkt gedaan, dat men enkel heeft te vragen naar de straf in het algemeen gesteld zonder eenigen invloed van strafvermindering of strafverhooging om persoonlijke omstandigheden.

Wegens de redenen voor de verjaring aangevoerd kan enkel de aard van het misdrijf. kunnen niet de bijzondere omstandigheden waarin de dader verkeert beslissend zijn. Die redenen eischen dat de gevolgen der

1) Smult I, eerste druk 488, tweede druk 522.

-) \ gl. D. J. Wolfson, Eenige beschouwingen over de verjaring in het strafrecht, Academisch proefschrift, Leiden 1890, bladz. 74.

Sluiten