Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog niet ingestelde vervolging. „Rijst in een aanhangig strafgeding een „geschil dat door eene andere inagt moet worden uitgemaakt, voordat „de strafregter kan heslissen (question préjudiciflle au jugement) dan „alleen moet de schorsing der strafvervolging te dier zake ook de „verjaring schorsen."

Op de gevallen van art. 323 Burgerlijk wetboek, en het laatste lid van art. 241 Wetboek van strafrecht is dit artikel dus niet toepasselijk; deze behandelen questions préjudicielles a 1'action.

Men heeft hier waarschijnlijk in de eerste plaats het oog gehad op de geschillen van burgerlijk recht, bedoeld bij art. 6 Wetboek van strafvordering. Daarvan sprak althans de Minister van justitie, het Kamerverslag beantwoordende.

De woorden van het artikel wettigen echter niet eene beperking tot deze geschillen; in hunne algemeenheid sluiten zij geschillen van anderen aard niet uit. Nu kent het Wetboek van strafvordering een praejudicieel geschil van publiekrechtelijken aard, dat feitelijk eene schorsing in de vervolging te weeg brengt, nl. het jurisdictiegeschil, bedoeld in art. 308, 11 Het spreekt van zelf, en behoeft niet met zoovele woorden te worden uitgedrukt, dat een verzoek om regeling van rechtsgebied de vervolging tijdelijk moet doen ophouden.

Op dit geschil van bevoegdheid nu moet art. 73 wegens de algemeenheid zijner bewoordingen toepassing vinden.

3. Bij de wet zijn ook andere redenen van schorsing der strafvervolging bekend: krankzinnigheid van den beklaagde (art. 415 Wetboek van strafvordering), strafrechtelijke vervolging van eenen beleedigde wegens het hem te last gelegde in geval van vervolging wegens laster (art. 265 Wetboek van strafrecht), doch daarbij is geene sprake van geschillen, en zij zullen dus op den loop der verjaring geenen invloed hebben.

Yoor de krankzinnigheid is deze opvatting door den Minister van justitie uitdrukkelijk tegen de bedenkingen van de Commissie van Rapporteurs der Tweede Kamer gehandhaafd.

4. Bij de invoering van de wet van 12 Februari 1901, Stbl. G3, wordt aan art. 6 Wetboek van strafvordering een nieuw tweede lid toegevoegd van dezen inhoud: Insgelijks kan de regter de regtsvervolging schorsen indien gelijktijdig met deze een verzoek tot ontheffing of een verzoek of eene vordering tot ontzetting van het ouderlijk gezag' over den beklaagde aanhangig is, en wel totdat de beslissing daarop onherroepelijk zal zijn geworden.

De vraag, of ook door deze schorsing de verjaring wordt geschorst, beantwoord ik bevestigend. Bij aanteekening 2 wees ik er op dat er

Sluiten