Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal thans het steken van den arm door een open venster op den beganen grond niet meer als inklimming beschouwd mogen worden i).

Maar wie klimmen moet om een venster te bereiken, en hot bereikt hebbende zijnen arm er door steekt, die is ingeklommen. Immers uit de artt. 202, 311 ">" en 812 tweede lid 30 blijkt dat inklimming niet juist behoeft te zijn het middel om zich den toegang tot de plaats des misdrijfs te verschaffen, zich te begeven binnen een huis of eene omslotene ruimte, maar ook zijn kan het middel om het goed dat weggenomen, verbroken of vernield wordt onder bereik te brengen.

Inklimmen zal echter altijd betreffen eenig gebouw of terrein, en niet bijv. het klimmen in eenen boom tot het wegnemen van vruchten.

2. Ons artikel geeft nu aan inklimming eene uitbreiding waarbij olk denkbeeld van klimmen vervalt : ondergraving en het overschrijden van slooten of grachten tot afsluiting dienende.

Het woord ondergraving spreekt voor zich zelf, liet begrip eischt meer dan de entree par une ouverture souterraine van art. 397 van den Code pénal; dit laatste onderstelt de mogelijkheid van gebruik van eene reeds bestaande opening; ondergraving is het maken van de opening2).

3. Ten aanzien van de overschrijding van slooten of grachten tot afsluiting dienende heeft het artikel eene geschiedenis.

De oorspronkelijke tekst had: schending van afsluiting door slooten of grachten.

Do hoogleeraar de Vries liad taalkundig bezwaar tegen deze redactie, omdat „schending van afsluiting" niet kan beteekenen schending van het concrete fysieke middel tot afsluiting, maar een abstract begrip is, dat hier blijkbaar niet was bedoeld. Wanneer als hier bedoeld is het violeeren van een middel tot afsluiting, een hek, eene sloot, behoort men te zeggen: schending van eene afsluiting; maar dan is weer on juist: eene afsluiting door slooten of grachten; want men kan niet zeggen: afsluitmiddel door slooten, evenmin als: hek door palen.

De hoogleeraar stelde dus vóór te lezen: het schenden van afsluitingen, ook waar die in slooten of grachten bestaan.

l) Zóó Rechtbank Botterdam, 29 November 1888, Wbl. 5003, P. v. J. 1888, no. 140; Rechtbank Groningen 3 November 1892, Wbl. <5297.

-) Polenaar en Heemskerk, aanteekening 3.

In het wijzigingaontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900) wordt gesproken van het ingaan door eene opzettelijk gegravene opening, omdat ondergraven op zich zelf niet is het binnengaan, en tevens van het gaan door eene bestaande opening in den grond.

Sluiten