Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13 December. Hoofdstuk II. Art. 8. Raad van State. De R. v. S. was uit zeven leden, die ieder f 5000 genoten, samengesteld. Toch vroeg de minister f 00,000, eene som berekend naar liet grootst aantal leden dat in den Raad kon zitting hebben. De lieer van (loltsteiii stelde voor f 40,000 toe te staan. Hij wees er op, dat zijn amendement nog ruimte liet om een lid meer, dan thans in functie waren, te benoemen.

Ik moet opmerken, met betrekking tot hetgeen de geachte spreker, die zoo even eindigde, aan de aandacht der Vergadering heeft onderworpen , dat het getal van de leden van den Raad van State uit zeven bestaat. De geachte voorsteller van het amendement heeft gezegd, dat zijn amendement ruimte liet. Ruimte. Welke? Waartoe? Om één lid meer te kunnen benoemen. Indien nu in den loop van dit jaar de noodzakelijkheid ontstaat, de publieke dienst schijnt te eischen, dat niet één maar twee leden worden benoemd, dan zal eene voordracht van wet moeten geschieden aan de Staten-Generaal om hetgeen bij deze begrootingswet zal zijn bepaald te buiten te mogen gaan. En nu moet ik terugkomen op de reden die mij juist en gegrond schijnt, de reden aangevoerd door den geachten spreker uit Groningen. De organisatie van den Raad van State wordt op dit oogenblik nog bestuurd door een Koninklijk besluit. Dit is de eenige grond, en nu zal men bij eene begrootingswet grijpen in hetgeen bij een Koninklijk besluit is geregeld. Men zal daarin grijpen tegen het voorstel der Regeering, hetwelk strekt, niet om uit te geven wat het tegenwoordig besluit medebrengt, maar om te ramen overeenkomstig de nu bestaande organisatie, die berust op regelen, welke, tengevolge van de Grondwet, zoolang moeten gelden totdat ze door nieuwe regelen, bij de wet, zullen worden vervangen.

Aandrang van den heer v. Nispen tot reorganisatie van den Raad van State.

De Raad van State dienstbaar aan de administratieve jurisdictie.

Niemand kan levendiger dan de Regeering zelve de behoefte gevoelen welke door den vorigen spreker is aangegeven. De Regeering beschouwt niet, zooals is gedaan in de stukken, voorgelezen door den geachten voorsteller van het amendement, den Raad van State als alleen in betrekking tot den Koning. De Regeering beschouwt den Koning niet als ooit alleen staande, als ooit verlaten door de Ministers. De tegenwoordige Regeering sluit liet Ministerie nauw aan den Koning; de tegenwoordige Regeering wenscht, zij gevoelt de behoefte dat de Raad van State het Ministerie bij het bewerken van wetten ondersteune, en aan den publieken dienst daarenboven geve eene zeer wezenlijke hulp, tot aanvulling eener groote leemte in onze tegenwoordige inrichting; hulp in het plegen van administratieve jurisdictie, die — en hierop moet ik verzoeken wel te letten, — voor zooveel zij moet worden gepleegd, nu gepleegd wordt door het Ministerie zelf. Nu is ook de Minister uitvoerder van de zaak, waarover hij beslist. Ik zeg:

Sluiten