Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

besteed voor gelijke onderwerpen, als bij ons op de begrooting van Binnenlandsche Zaken behooren, moet samenvatten.

De geachte spreker is vervolgens op een punt teruggekomen, dat ik, onder meer punten, zwijgend ben voorbijgegaan. Hij heeft er mij op teruggebracht, en wel tot mijn groot genoegen. Hij heeft namelijk gezegd, dat hij deze begrooting heeft vergeleken met de uitgaven van vorige jaren, inzonderheid van 1845. Ik heb daarop niet gedrukt, omdat ik de tabellen van den geachten spreker niet tot tekst heb genomen bij deze discussie, maar een anderen, korter weg heb ingeslagen. Ik zal ook nu niet treden in eene kritiek dier tabellen: de kunst om cijfers te groepeeren is verschillend; zonder kunst ben ik eenvoudig de reeks der afdeelingen van mijn departement gevolgd. Wanneer echter de geachte spreker zegt, ik vergelijk de uitgaven met de raming, is dit mijns inziens onbillijk. De raming voor een artikel is iets anders dan de werkelijke uitgave. De raming is onzeker maar de uitgave drukt uit wat reeds besteed is; de raming moet boven de werkelijk te besteden som zijn. Ik keur het goed de raming van uitgaven voor een jaar met de werkelijke uitgaven van vorige jaren te vergelijken, maar niet om te zeggen, dat eene begrooting overmatig hoog is, dewijl de uitgaven van vorige jaren minder hoog zijn. Ook mijne uitgaaf zal, hoop ik, beneden mijne begrooting blijven.

De spreker heeft vervolgens het punt der onvoorziene uitgaven andermaal aangeroerd. Ik zal daaromtrent alleen dit zeggen. Indien er in 1845 twee tonnen gouds zijn overgeschoten, hetgeen ik thans niet kan zeggen, en men aanneemt, dat op de begrooting van 1851 ook twee tonnen gouds zullen overschieten, dan is het verschil tusschen den vroegeren en onzen toestand, dat er thans in geen geval meer dan ƒ 80,000 voor onvoorziene uitgaven zullen worden uitgegeven, terwijl de Minister onder het oude regime die twee ton kon gebruiken. Het voordeel daarvan is blijkbaar. Ik geloof ook niet, dat men vergelijkingen kan maken tusschen dat vaste cijfer van 80,000 gulden en hetgeen vroeger is uitgegeven, daar de Minister niet alleen uit zijn overschot, maar ook uit hetgeen door de andere Ministers niet werd gebruikt, kon putten.

In de laatste plaats, Mijne Heeren, heeft de geachte spreker gezegd, dat ik niet had geantwoord op zijne bewering, dat er sedert 1845 eene doorgaande klimming was in de uitgaven van dit departement. Ik heb dit punt niet afzonderlijk beantwoord, omdat het mij voor- ' kwam genoegzaam te zijn toegelicht. Wat heb ik gedaan? Ik heb aangetoond dat, vergeleken met 1849 en met 1845, verre de meeste takken van bestuur op de begrooting, minder zijn dan in 1849 en in 1845; sommige, een paar, zijn hooger. Ik zal nu niet spreken over het armbestuur: het is den geachten spreker bekend dat de wet van Nivóse sedert 1845 van den doode is opgestaan. Ik zal niet spreken van de groote kosten, sedert de laatste jaren besteed aan de zorg ten

Sluiten