Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofdplaats of iu de nabijheid woonachtig waren. Ik vraag of tot dusver door de bezoldiging, aan het lidmaatschap van Gedeputeerde Staten verbonden, zij die gekozen werden en woonden buiten de hoofdplaats, hunne woning overbrachten naar de hoofdplaats? Het cene is niet meer het geval dan het andere. Ik geloof niet, dat men uit dien hoofde in den regel, omdat de bezoldiging ƒ 300 minder zal zijn, minder menschen, buiten de hoofdplaats woonachtig, zal vinden, genegen om een of twee malen per week naar de hoofdplaats zich te verplaatsen, ten einde de vergaderingen van de Gedeputeerde Staten bij te wonen.

Ik moet ook zeggen, dat ik aan die omstandigheid zelve niet zooveel hecht. Ik geloof dat het getal verkiesbaren tot leden der Gedeputeerde Staten, wonende buiten de hoofdplaats, door eene bezoldiging van ƒ 300 meer of min wel hetzelfde zal blijven; maar al ware — hetgeen ik niet kan inzien — dat, wanneer de bezoldiging met f 300 werd verminderd, hier of daar sommigen minder tot leden van Gedeputeerde Staten verkiesbaar waren, die buiten de hoofdplaats hunner provincie waren gevestigd, dan nog zie ik het nadeel niet. Ik kan niet gelooven, Mijne Heeren, dat het noodig is de onderscheidene gedeelten, de onderscheidene localiteiten der provincie, door locale menschen in het college van Gedeputeerde Staten te laten vertegenwoordigen. \ ooreerst zal dat doel nooit bereikbaar zijn; want men zal altijd eene volkomen eenzijdige vertegenwoordiging hebben; er zal altijd meer dan één district onvertegenwoordigd overig blijven. Doch al wilde de wet het, al bracht de aard der zaak het mede, dan zou het, in het college van Gedeputeerde Staten, aanleiding geven tot een strijd van localiteiten, en ten laatste op eene transactie uitloopen. De algemeene provinciale vertegenwoordiging kan uit de onderscheidene hoeken der provincie zijn bijeengekomen; maar het college van Gedeputeerden op dezen voet te willen samenstellen, ware, meen ik, vruchteloos en ongeraden.

Indien, Mijne Heeren, deze vermindering der kosten van het bestuur der provinciën, deze ƒ 300 of ƒ 500, welke, vergeleken met de som, tot dusver besteed, eene totale bezuiniging van ƒ 20 a ƒ 30,000 zal teweeg brengen, indien ik geloofde, dat die bezuiniging ware ten nadeele van den dienst, wel verre die bezuiniging voor te stellen, zou ik eer, wanneer het belang van den dienst het vorderde, die som willen verhoogen. Ik kan inderdaad niet inzien, dat de dienst bij deze bezuiniging of winnen of lijden zal. Ik moet het, Mijne Heeren, aan uw oordeel overlaten; het kan zijn, dat de indruk, dien men medebrengt uit de onderscheidene provinciën, tot eene andere beslissing leidt, dan hetgeen ik , in aanmerking nemende de taak van Gedeputeerde taten, de roeping, de klasse van personen, waaruit zij voortkomen, heb voorgesteld. Ik meen echter vooralsnog, dat mijne redenen de overweging der Kamer wel verdienen.

Sluiten