Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liij verlangt dat dit vooraf worde aangenomen. De lieer Ihillcrt stelde voor liet artikel te verminderen met de kosten, uitgetrokken voor liet overhalen van den uitstekenden boelit van den rechter Leidijk bij den boven-Usselmond (ƒ10,000)dit werk lag, meende hij, buiten het aangenomen werkplan.

Mijne Heeren! De taak van den Minister is door eenige sprekers, die hem zijn voorafgegaan, hijzonder vereenvoudigd. Ik geloof dat hij zich mag bepalen tot deze hoofdpunten: vooreerst, weg te nemen sommige bedenkingen, die ten aanzien van eenige gedeelten van dit plan zijn geopperd; ten tweede, te spreken over het denkbeeld dat zoodanige post niet moet worden uitgetrokken bij eene jaarlijksche begrooting, maar dat hetgeen van de Staten-Generaal moet worden gevraagd tot de uitvoering van dergelijk plan, een afzonderlijk voorstel van wet vordert; waarna ik in de derde plaats zal kunnen overgaan tot het amendement door den geachten afgevaardigde uit Zutfen voorgesteld.

I. Tot de bedenkingen over een of ander gedeelte breng ik in de eerste plaats de vraag van den afgevaardigde uit Noordholland (den heer van Akerlaken) ten aanzien van de verplichting van het Rijk. om zooveel toe te staan tot verbetering der oevers van de Limburo-sche Maas. Hij heeft gevraagd of, zoo al het Rijk kan worden geacht gehouden te zijn tot herstel dier oevers, dan althans niet een gedeelte daarvan door de oevereigenaren kan worden gedragen. Ik zal den geachten spreker vooreerst verzoeken twee bijzondere omstandigheden in aanmerking te nemen. De oevers van de Maas zijn hoog, zoodat alleen de naast aan de Maas gezetenen belang hebben bij de afkeering van het gevaar, niet de verder afgelegenen, geheel anders dan bijv! aan onze Rijnoevers. Ten andere heeft men lnngs de oevers van de Maas niet zoodanige vereenigingen, als langs de meeste oevers van onze rivieren sedert eeuwen bestaan, vereenigingen om het water te keeren in het belang van die bijzondere eigenaren. Zoodanige vereenigingen bestaan in Limburg niet. En nu? De rivieren, met hare oevers behooren aan den Staat; de rivier de Maas behoort tot die hoofdrivieren , welke als hartaderen van ons land moeten worden beschouwd. Derhalve de Staat is, mijns inziens, verplicht voor verbetering der oevers, zooverre die noodig is, te zorgen. Zorgt de Staat niet, wat zal het gevolg zijn? Dat de rivier zich zal verleggen, tot des te grooter nadeel voor ons, daar aan de zijde van België volkomen en zeer goed wordt gewaakt. Ik geloof, dat dit den geachten spreker zal overtuigen van de onmogelijkheid, in den tegenwoordigen toestand, van Staatswege zich voor een deel, laat staan voor het geheel, aan den plicht der oeververdediging te onttrekken. Ik zeg in den tegen woordigen toestand, want of het later wellicht mogelijk zal worden bevonden, dergelijke vereenigingen tot stand te brengen, als langs de oevers van onze rivieren veelal worden gevonden, hierover zal de ondervinding uitspraak moeten doen.

Sluiten