Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegen is. Wanneer ik dit toepas op het onderwerp, waarvan door den geachten spreker uit Zwolle (den heer Sloet tot Oldhuis) is gewaagd, dan meen ik, dat de Regeering alleszins verplicht mag worden geacht, om in de provinciën, te platten lande, de instellingen, die uit de belangstelling vnn bijzondere personen zijn opgekomen en tot eene zekere mate van bloei zijn gebracht, te ondersteunen. Daar namelijk, waar die instellingen ondersteuning behoeven, en van de krachten van bijzondere personen niet méér kan worden verwacht. Maar ondersteuning te geven alvorens die wordt vereischt, is juist onderdrukking van den particulieren ijver, van de nationale kracht, die oneindig grooter is dan het vermogen van de rijkste regeering, dan de middelen van den vermogendsten Staat. Hetgeen de rijkste regeering, hetgeen de vermogendste Staat kan doen, is slechts een klein perceeltje, vergeleken met die onmetelijke kracht, welke eene natie, die zich kent en ontwikkelt, kan doen gelden.

De geachte spreker uit Friesland heeft de aandacht van de Regeering gevestigd op het zoogenaamde staatsexamen en op de staatsexamina in het algemeen. Mijne Heeren, het is een van de moeilijkste vraagstukken op het gebied van onderwijs, de inrichting van de examina, wat er door kan worden bereikt, of wat van examina mag worden verwacht. Ik durf in deze vraag nu niet treden. De geachte spreker heeft zich zijn oordeel over de laatste voorioopige inrichting van het zoogenaamde staatsexamen voorbehouden. De geachte spreker heeft gezegd, dat dit staatsexamen stond tot dusver geïsoleerd. Ik geef het toe: het staat geïsoleerd, omdat wij nog wachten op de instellingen, die de nieuwe wetgeving ons zal moeten schenken. De geachte spreker heeft zich beklaagd, dat door een dergelijk staatsexamen de academiën werden gesloten voor de zoodanigen, die niet eene geleerde opvoeding hebben genoten, zooals voor dit staatsexamen wordt gevorderd; hij wil dat de academiën ingericht zullen zijn, als openbare instellingen voor algemeene wetenschappelijke ontwikkeling. Ook dit stem ik toe; voor een elk, ook voor hen die eene zoodanige geleerde opvoeding niet zullen hebben genoten, behooren de universiteiten open te staan. De geachte spreker heeft eene bedenking in het midden gebracht tegen het staatsexamen, gelijk het nu is ingericht, in zooverre het een toezicht van Regeeringswege op de uitkomsten van het onderwijs, waarover het staatsexamen loopt, bedoelt. De geachte spreker heeft gezegd: „hoe mijn oordeel ook uitvalle over dat staats-examen, het zal nooit in alles aan dat doel kunnen voldoen; men zal daarmede een geregeld onderzoek van de instellingen van het onderwijs op de Latijnsche scholen moeten paren." Ik ben geheel van het gevoelen van den geachten spreker; ik heb nooit gemeend, dat alles op het staatsexamen alleen zou kunnen nederkomen. Een en ander zal wellicht moeten worden vereenigd. Maar het onderzoek, dat de geachte spreker wenscht, zal op oenen anderen voet dan tot dusverre dienen te zijn ingericht.

Sluiten